Opmerkingen
Rentmeester van Rijnsburg en Raad in Den Haag, anno 1477, van de Kabeljauwse Partij, stichter van het Sions klooster te Leiden anno 1480.
Stierf officieel zonder wettige kinderen.
Uit: http://mathieuinwonderland.nl Het verdwenen kasteel Zwieten.
In 1475 werd de kleinzoon van Boudewijn Hugo van Zwieten ambachtsheer van Zoeterwoude. Zijn nakomelingen moesten deze titel in 1547 alweer verkopen.
===
[Swieten, Hugo van]
SWIETEN (Hugo van), oudste kind van Gijsbrecht (1) (kol. 858) en Katharina v. Diemen, huwde met Lutgarde v. Boschuysen dr. van Claes (IV, kol. 242), den jongeren broeder dus van Willem en Floris, zoons derhalve als hij van Willem v.B., den rentmeester-generaal van N.-Holland en Beatrix v. Swieten, dochter van een ouderen Dirk, gesneuveld bij Stavoren 1345 en zuster o.a. van dien Claes, die, volgens Rammelman Elsevier, door de Leidenaars zou zijn doodgeslagen (terwijl 't moeilijk een andere Claas kan zijn, dien de Bat. Ill. ± 1370 te Delft laat doodslaan).
Hugo, dien wij boven reeds ontmoetten, genoemd trouwens al op 1450, 1454, was kastelein en baljuw van Woerden en werd door de regeering in die stad 9 Juli 1460 tot scheidsman benoemd in het geschil tusschen Leiden en zijn schoonvader, den genoemden Claas v. Boschuysen, betreffende diens rekening over een volbrachte reis naar Abbeville bij den hertog van Bourgondië en de onkosten bij gelegenheid, dat de genadige Vrouwe van Bourgondië te Leiden was om de papegaai te schieten. Blijkens bijgaande kwitantie en accoord heeft Huig dat verschil werkelijk uit den weg kunnen ruimen (Rammelman Elsevier I, 54). Heer Hugo, van wien op 1467 vermeld wordt, dat hij land kocht in Zoeterwoude, was hiervan ook ambachtsheer, als zoodanig meermalen vermeld, evenals zijn
Over het gehele werk
TITELS
Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek (10 delen)
Over dit hoofdstuk/artikel
AUTEURS
over Hugo van Swieten
L.M.G. Kooperberg
[p. 861]
broeder Willem, met wien hij voorkomt 28 Maart 1476 (1477). Voor dezen Willem, bezwaarlijk dezelfde als de op 1437 (Arch. der Kerken o.a. Reg. 1785) vermelde Willem, zoon ook van een Hugo, maar van een veel vroegeren, voor den eersten Willem, kinderloos gebleven in zijn huwelijk met Elisabeth v. Ruyven, dochter van Willem en van Agnes v. Rietwijk, verwijzen we, gelijk voor den anderen, naar het art. Willem. Met bovengenoemd ambacht als erfelijk leen, hem opgedragen door Aelbrecht v. Raephorst Dircxsoon, werd door Karel den Stoute 23 Juni 1475 Hugo verlijd, die in dien tijd zegelend of anderszins optreedt; bovengenoemde vorst had den brief van de heeren van Wassenaar 7 Maart 1469 bevestigd aangaande de overgifte van het gruitgeld aan Hugo v.S. en zijn echtgenoote L.v.B. als leenroerig aan de grafelijkheid (leidsche ms. aant.; vgl. Handv. en Priv. v. Leiden p. 345). Zoo met Dirk v.S. als een der borgen, 1473 met Adriaan, zijn neef (zie art.), die hem, op 1478 (bij v. Leeuwen) vermeld als Heemraad van Rijnland, in die positie 1481 vervangt (zooals 27 Febr. 1502 dat ambt komt aan Jan v.S.); 1468 reeds met zijn vrouw Lutgarde.
Met haar stichtte hij in 1480 het Syonshof ten behoeve van 14 oude mannen (Blok, Bourg. Oost. stad 266). Hun vrome zin komt, behalve in verband met memoriediensten, ook in 't volgend jaar uit door hun schenkingen (trouwens in 1462 reeds aan zijn grootvaders stichting Mariënpoel, waarover boven) en hun giften ten bate van zingende missen, waarvan een voor zijn broeder Willem v. Sw. c.s. Terwijl wij voor de hieruit voortvloeiende vraag betreffende het al of niet bezitten van kinderen door Willem naar zijn art. kunnen verwijzen, zou aangaande de vroomheid ook van deze van Swietens hier nog verwezen kunnen worden in het algemeen naar hun betrekkingen tot kloosters en andere stichtingen. En hoewel zij sinds 5 Jan. 1475 het levenslang bewoonrecht had van een huis tusschen de gracht en het erf van het klooster der Regulieren in St. Jeronimusdal buiten de Rijnsburgerpoort heeft Lutgarde, Hugo's vrouw, in een dier stichtingen, en wel in het St. Agnietenhof, de allerlaatste jaren van haar leven als bagijn doorgebracht.
Hugo's vrouw, toen zijn weduwe, als hoedanig zij genoemd wordt 28 Aug. 1487 (in verband met 't zelfde klooster van St. Jeronimusdal), 1488, 1491, gaf in haar testament, gemaakt 23 Mei 1494, opnieuw blijk van haar vroomheid. Weduwe Lutgarde! Want Hugo, in 1480 nog voorkomende, al weer in de Bat. Ill. als dijkgraaf van Rijnland, (evenals in 1469 heer Arend v.S., vgl. art. en in 1514 Willem en Gommer v. Boschuysen) moet reeds eenige jaren te voren overleden zijn, hoogstwaarschijnlijk wel in 1482. Maar dan moet natuurlijk een andere Hugo v.S. geweest zijn, de schout van Zoeterwoude, die b.v. (8 Oct.) 1485 zegelt, terwijl men uit 't Reg. bij Overvoorde, Arch. v.d. Kloosters (aldaar bl. 429) den indruk zou kunnen krijgen, dat beiden één en dezelfde persoon waren, zoo door 't laten betrekken b.v. van de nos. 1740 en 1780 aldaar op denzelfden persoon, terwijl toch in het tweede ('t bovenbedoelde stuk van 28 Aug. 1487) de overleden echtgenoot van Lutgarda genoemd wordt (ook in 1486 zegelend??), waar in het eerste (vermoedelijk voor het eerst, althans daar ter plaatse, vermeld
[p. 862]
wordt Hugo v. Sw., schout van Zoeterwoude, hetgeen nog meermalen voorkomt. Deze zegelt 1495, 1497, 1500; verder 1504-1506. Soms staat er bij Hugensz. Inderdaad moet dus deze schout van Zoeterwoude een andere geweest zijn dan de bovenbesproken Hugo, dien men zonder aarzelen eerder dan den tweeden als Hugo's vader zou willen beschouwen, ware het niet, dat de Bat. Ill. Lutgardes gelijknamigen echtgenoot (gelijk aan diens broeder) het bezit, hier van wettige, kinderen ontzegd had. De jongere Hugo is dan een onwettige zoon en voorloopig nog even weinig duidelijk als de schout Jan Hugensz. die 22 Aug. 1482 zegelt als 27 Sept. daarop (blijkens Arch. der Kloosters. Reg. 1674 en vgl. ook 't leidsche hs.).
Hugo Hugensz. en hij zijn dan broeders, onechte zoons van Hugo1. Inderdaad is mij achteraf nog gebleken uit een op 't Leidsch Archief aanwezige schriftelijke aanteekening (in een schrijven van 29 Mei 1908) over Rijsel, dat (en wel in 1501) Hugo v.S. door Philips den Schoone gewettigd wordt, die daar echter genoemd wordt zoon van Hugo bij Ida Wouters; en, zij hieraan toegevoegd, uit een andere soortgelijke aant. dat Hugo v.S. Rodenburg(h) bezat (9 Mei 1496).
Intusschen 1482 als sterfjaar van Hugo wordt er vrijwel door bevestigd en men denke hierbij ook aan een stuk van 6 Mei 1484, waarbij Max. en Philips jonkvr. Adriana, 't 4de(?) kind van Gijsbrecht (1) (evenals dan Catharina S. 5de(?); kol. 858) verlijden met de leengoederen, haar aanbestorven van haar broeder(!) Huygen v.S., waarna deze van de leengoederen afstand doet ten behoeve van haar broeders zoon Gijsbrecht v.S. Pieterszoon (zie art. Gijsbrecht (2). In elk geval wordt nog genoemd (Arch. der Kerken R. 426) op 1494 een schout Hugo, maar Hugo Hugensz. zegelt in 1500.
====