Opmerkingen
Burgemeester van Leiden; heer van Opmeer, de Lier en Zouteveene, veertigraad van leiden, schout van Leiden, stadhouder van zijn vader schout Jan, baljuw en dijkgraaf van Rijnland, als voorman Kabeljauwen door de Hoekse inval vastgezet
====
[Swieten of Zwieten, Sweeten, Zweeten Adriaan van]
SWIETEN of ZWIETEN (Sweeten, Zwe(e)ten) (Adriaan van), zoon van Jan (kol. 862) en Catharina (of Maria) van der Abeele, Heer van Opmeer, huwde 1e met de kinderloos overleden N.v. Hodenpijl, 2e met Odeline (Otteline) v. Egmond, dochter van Willem v.E., heer van Zevenhuizen en van Johanna v. Eemskerk (beleend 1451 en 1468). Zij hadden kinderen: 1e Jan, o.a. drost van Gorcum, overl. 1510 1509? vgl. Sententie 1529, zie beneden), wiens gelijknamige zoon, overl. 1521 (ibidem; volgens Gouthoeven en Bat. Illustr. in 1526) en 2e Johanna, die (blijkens een ms. aant. op 't Leidsche Arch.) een ronden stoel deed maken aan de pilaren van Sinte Bertelmeesaltaar in plaats van den grooten vierkanten vrouwenstoel, dien haar grootvader Jan in Sinte Bertelmeeskapelle had doen maken (toestemming van burgem. 15. 11. 1512). Zij trad in het huwelijk met Willem v. Alkemade, welke heer van Zevenhuizen werd (eig. Willem v.d. Coulster) terwijl zij (eveneens volgens Bat. Ill. 1115) Josina zou heeten. Dat laatstgenoemde, ongehuwd overleden Jan, wiens goederen overgingen op het geslacht v.d. Coulster misschien, maar zeker zijn vader, zijn grootvader Adriaan en zijn overgrootvader Jan in de regeering van Leiden zaten, behoort mede thuis in het art. van laatstgenoemde.
Ook Adriaan was verschillende jaren schout van die stad (tusschen 1479 en 1485; reeds 1477 naar Bat. Ill., die hem tevens zijn neef Hugo (kol. 861) doet opvolgen als heemraad van Rijnland), gelijk hij reeds in 1465 en 1472, burgemeester was. Hij, dien wij ontmoeten in 1473 zegelend met Hugo v.S. en als scheidsman in geschillen in 1482, in verband met aanneming van memoriediensten op 1485, bekleedde met name het eerstgenoemde ambt in hoogst moeilijke tijden nl. te midden der hoog oplaaiende Hoeksch-Kabelj. twisten na den dood van Karel den Stoute. Eerst scheen het in Leiden nog te zullen losloopen, toen schout Adriaan van 100 der voornaamste burgers een eed afnam dat zij zich rustig zouden houden; maar toen elders woelingen uitbraken, geschiedde dat ook te Leiden. De van Swietens, en in 't bijzonder de zeer kabeljauwschgezinde Adriaan, speelde(n) een belangrijke rol bij het binnenlaten (op 3 Juli 1479) van een paar honderd partijgenooten onder Jan v. Egmond e.a. en het ontwapenen van Hoekschen, wier huizen geplunderd en hoofden verbannen werden. Doch een paar jaar later verwisselden de rollen weer, toen de bekende Hoeksche aanslag uit Utrecht plaats had, 20 Jan. 1481, geleid door Reinier van Broekhuizen en Hendrik v. Zuylen v. Nyevelt. Tevergeefs boden schout Adriaan met een handvol Kabeljauwen voor het huis van v. Swieten aan de Vrouwensteeg nog eenig verzet; de meesten vluchtten ijlings door de Wittepoort naar den Haag. 3 maanden later evenwel werd Leiden weer aan de Hoekschen ontrukt, die ook de aan den Rijn gelegen kasteelen ter Does en Swieten moesten opgeven, het laatste, het stamslot, gelegen ± 20 minuten voorbij Leiderdorp tegenover de uitspanning
Over het gehele werk
TITELS
Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek (10 delen)
Over dit hoofdstuk/artikel
AUTEURS
over Adr. van Swieten
L.M.G. Kooperberg
[p. 852]
Ik leer nog (volgens een in 't Leidsch Archief aanwezig schrijven van prof. Damsté uit Utrecht van 21 Juli 1905). Bij den daarop gevolgden oorlog met Utrecht en Montfoort wordt Adriaans naam niet genoemd in verband met de holl. nederlaag aan de Vaart (13 Oct. 1481), zooals b.v. wel die van Willem v. Boschhuysen, ridder (zie IV, 248; Willem v.B. voor Harmelen, Hoorn enz. Hist. Gen. Ber. IV, 215). Deze mag niet verward worden met den gelijknamigen zoon van Floris, welke regent van Leiden, neef van Lutgarde, de weduwe van Hugo v.S. een rente ontving (1482 staat er ter plaatse bij, bewijs te over voor 1482 als sterfjaar van Hugo, waarover art.).
In elk geval stond Adriaan in gunst bij Maximiliaan, die hem bij zijn bezoek aan Dordrecht in 1486 tot ridder sloeg (v. Balen II, 800 noemt intusschen wel anderen, niet hem, wien die eer te beurt viel en doet dat bezoek plaats hebben in 1485 in den zomer). Volgens 't Nob. des Pays-Bas I, 15 (ook aangehaald bij te Water, Verbond der Edelen III, 321, die hem ook de zoon doet zijn van Jan en zijn eerste vrouw Maria v.d. Abeele) had die ridderslag plaats te Dordrecht in 1486. Met het oog op zijn dood zouden beide opgaven mogelijk zijn, want die schijnt (in geen geval vroeger dan 1485, zie boven) in 1487 te zijn voorgevallen, niet later, want van 6 Dec. van dat jaar hebben wij (vgl. Rammelman Elsevier, Inv. v.h. Archief v. Leiden I, 70) een compromis en uitspraak over een geschil, na het overlijden van Adriaan, schout van Leiden, tusschen Willem v. Boschhuysen, ridder, en Adriaan v. Poelgeest en het gerecht van Leiden. Maar hoe zou daarmee dan te rijmen zijn Biogr. Wdb. III, 249, waar betoogd werd, hoe klaarblijkelijk dezelfde Willem (zie ook literatuurlijst aldaar) vóór 7 April 1485 moet overleden zijn?
Wij noemden als kinderen uit Adriaans tweede huwelijk reeds Jan en Josina; ook Jenne wordt genoemd. Over Jan (waarvoor nogmaals verwezen naar 't gelijknamige art.), den drost van Gorinchem en heemraad van Rijnland, overl. 9 Aug. 1509, zie Bat. Ill. 1504 en vgl. aldaar 1115, waar 1510 als sterfjaar was opgegeven. Of is hier verwarring tusschen de beide Jans, ook beiden blijkbaar schout geweest? Het altaarstuk van Mariënpoel spreekt onloochenbaar van 13 Aug. 1510 als sterfdag, maar noemt niet dien van den anderen Jan.
Zie: Ten deele reeds vermeld in den tekst. Zie verder o.m. Blok, Gesch. eener stad onder de Bourg. Oost. heerschappij ('s Grav. 1912) 78, met verwijzing tevens naar v. Mieris, Handv. 164 en vgl. overigens lit. vermeld onder volg. art.
Kooperberg