van Zwieten de Blom

Wat is de oorsprong van de naam “Van Zwieten de Blom” ?

Het volgende is een mogelijke verklaring:

Als tweede zoon uit het huwelijk van Johannes (Jan) de Blom (1763-1838) met Neeltje van Zwieten (1768-1836) krijgt Jan (1795-1863)de voor- én achternaam van zijn grootvader van moederskant.
De ‘van Zwieten’s waren mogelijk van adel en dus van hoger aanzien.
De eerste zoon, Jacobus, is duidelijk vernoemd naar grootvader van vaderskant.
“Jan van Zwieten” was als het ware de voornaam waaraan de achternaam “de Blom” werd toegevoegd.

***************

Willem-III straat 8 te Loosduinen

Adrianus Van Zwieten de Blom (1827-1908) is van 1846 tot 1851 als milicien-loteling in dienst; hij krijgt in 1851 zijn congé te Leiden, gaat dan ca. 2 jaar naar Warmond, waarschijnlijk als bakkersknecht.
Op 1 mei 1855 vestigt hij zich als bakker te Loosduinen.
Op 2 mei 1861 koopt hij een “koetshuiserve en paardenstalling voor 4 paarden, met hardsteenen kribben en ijzeren paardenruif; ruimen hooizolder met afgeschoten kamertje voorts mestput en welpomp”.
Dit huis werd later aangeduid als Willem-III straat nummer 8 te Loosduinen. De prijs was F 950,-. Hij bouwde dit om tot bakkerij en kocht later nog een klein stukje erf erbij.
Op 1 augustus 1898 verkocht hij de zaak voor F 3.400,- aan J.M. Rossel, olieslager te Delft.
Opmerkelijk is dat dat Petronella A. Rossel, dochter van J.M. Rossel, 10 dagen later, op 10 augustius 1898 trouwt met een zoon van Adrianus: Pieter (1874).
Adrianus, toen 70, had aan genoemd bedrag ruimschoots voldoende om van een rustige oude dag te kunnen genieten; hij leefde nog 10 jaar.
In 1943 overleed zoon Pieter en het pand werd verkocht voor F 6.100,- aan een schoenhandelaar die het in 1954 verkocht voor F 5.500,-, waarna de gemeente het kocht in 1961 voor F 12.000,-.
In 1963 werd het met alle omringende panden afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw.

Alle kinderen werden in dit pand geboren.

***************

Bron: Nederlandse Familienamenbank (www.meertens.knaw.nl)

Van Zwieten

verklaring van de naam:
Afkomstig uit Zwieten, een voormalige nederzetting, respectievelijk een landgoed in de omgeving van Zoeterwoude.

naamsvermeldingen en literatuurreferenties:
• Over het toponiem Zwieten:
– 918-948 cop. eind 11e eeuw: Suetan; 1125-1130 cop. ca. 1420: Zweten [LNT].
– Zwiet is de oude naam van de Weipoortsevliet bij Zoeterwoude. “Deze naam betekende met friese klankstand ‘de zoete’, en verplaatst ons dus naar de tijd, vermoedelijk de laatromeinse transgressiefase, waarin de Rijnmonding dermate brak was, dat voor de binnenkomende schepen de Zwiet de eerste makkelijk te berieken zoetwaterleverancier was.” [D.P. Blok, ‘Iets over toponymie en geografie’, in: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap 82 (1965), p 370].
– [D.P. Blok, ‘Nogmaals: Friese invloed aan de Rijnmond’, in: Fryske Plaknammen 12 (1959), p 17-18].
– [D.P. Blok, ‘De vestigingsgeschiedenis van Holland en Utrecht in het licht van de plaatsnamen’, in: Studies over de oudste plaatsnamen van Holland en Utrecht, Bijdragen en Mededelingen der Naamkunde-Commissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, XVII, Amsterdam 1959, p 22].
– Zwiet schließlich ist eindeutich ein friesischer Name: *Swe5tjo- < *Swo5tjo-, ein substantiviertes Adjektiv, ‘die Süße’ [Blok-1965b, p 217, 223].
• Gerard van Zwieten, Leiden 1296 [Iongh de-1992, p 213].
• Gisebrecht van Zwieten, ca. 1359 te Leiden [Rapenburg IVa, p 139].
• Dirck Boudijns zoon van Zwieten, Den Haag 1451 (archief van het klooster van Sint Elizabeth) = Theodorici Balduini de Zweten, 1454; Ghijsbrecht van Zwieten, ambachtsheer en schout van Zoeterwoude 1530 [Sernee-1920, p 22, 25, 134].
• [F.J.W. van Kan, ‘Het middeleeuwse riddermatige geslacht Van Zwieten’, in: Jb. CBG 37 (1983), p 43…; 38 (1984), p 49…].
• [700 jaar Zoeterwoude. Een familieportret, (1976)].
• [Simon van de Velde, ‘Boudewijn van Zwieten en Frank van der Boechorst. Adellijke weldoeners van klooster Mariënpoel te Leiden’, in: Virtus 9 (2002), nr 1-2, p 1-11].
• [Mario Damen, ‘Tussen stad en land. Bourgondische ambtenaren en Leiden in de 15de eeuw’, in: Leids Jaarboekje 95 (2003), p 45-75].

varianten en/of samenstellingen:
Van Swieten, Van Zwieten de Blom

***************

Bron: Stichting Oud-Zoeterwoude (www.oudzoeterwoude.nl)

Het kasteel Zwieten te Zoeterwoude

De grond, waarop voor 1805 het Kasteel Zwieten stond en waar nu de Heineken Bierbrouwerij staat te Zoeterwoude, is ontzettend oud en we moeten terug gaan tot aan het begin van onze jaartelling.

De kleiboorden van de Oude Rijn moeten van het Linschoter kleimassief westwaarts tot de duinzoom bij Katwijk een vaste bodem voor nederzettingen hebben opgeleverd, getuige de oude Romeinse vestigingen te Alphen (Albanianae), de Roomburg (Matilo) bij Leiden, Valkenburg (Praetorium Agrippinae), Zwammerdam (Nigrum Pullum) en andere nederzettingen van Romeinse legioenen, gelegen lands de zuiderlijke Rijnoever.

Een middeleeuwse copie van de kaart van Peutinger toont ons de Romeinse heerweg als verbinding tussen deze versterkingen, maar het is opvallend dat van deze heerweg nauwelijks iets terug te vinden is.

Het is onjuist om zonder meer aan te nemen dat de Hoge Rijndijk deze wegbaan zou zijn, want de Rijn heeft zich door de eeuwen heen door meandervorming naar het noorden verplaatst, met als resultaat bijvoorbeeld dat de voormalige Romeinse haven bij Zwammerdam zich nu veel verder van de linkeroever van de Rijn bevindt en drie eeuwen na het ontstaan onbruikbaar raakte.1)Toch mag worden aangenomen dat in grote lijnen de Hoge Rijndijk de voormalige heerweg volgt.

Een band van ongeveer 30 kilometeraan de rechteroever van de Rijn werd verboden gebied verklaard voor de ‘barbaren’, in ons gebied hoofdzakelijk de Friezen , die deel uitmaakten van de Germaanse volksstammen. (Germanii d.w.z. broeders, die door hun taal met elkaar verwant waren).

In het begin van de derde eeuw was de druk van de ‘barbaren’ wel zodanig, dat de Romeinse vestigingen in onbruik raakte en de band van 30 km. werden nu ingenomen door de plaatselijke bevolking, die in aantal toenam.

Deze bewoners leefden in hutten in de uitgestrekte wouden en bossen, die Holland (Holzland = het land van hout) bedekte, en waar de naam van ‘woude’ nog in vele dorpsnamen te herkennen zijn.

Men is geneigd te denken dat na de ontvolking van de Romeinse vestigingen in 235 aan een lange onderbreking in de nederzettingen langs de Rijn en aan een bijna volkomen verdwijning van de heerweg.

Van de derde tot de achtste eeuw wordt er verder geen vermelding gemaakt van bewoning in deze streek.

De oudste vermelding van Suetan dateert uit de 8ste eeuw. In het jaar 772 moest de Anglosaksische monnik Lebuïnus uit Deventer vluchten naar de bekende kloosterschool te Utrecht. Mogelijk is hij van daar uit werkzaam geweest in Zoeterwoude. Hij stichtte daar een eenvoudige kerk, welke gezocht moet worden in Suetan.

Dit eenvoudig bedegebouw in zeer zeker door de Noormannen in de 9e eeuw verwoest geworden.

Na het invallen van de Noormannen in 834-837 en in 857 blijkt dat verschillende van die Denen zich in deze streek blijvend gevestigd hebben. Waarbij de ontstane huwelijksbanden met Friese dochters vermoedelijk ook wel een rol gespeeld zal hebben.

De Noorman Godfried had met de Duitse keizer een overeenkomst gesloten en als gevolg daarvan kreeg hij zelfs de beschikking over Kennemerland en de Betuwe, het voormalige gebied van de Bataven. Godfried werd in 882 als christen gedoopt.

De Noorman werd in 887 uitgenodigd om naar Spijk (Lobith) te komen voor besprekingen. Daar werd hij tijdens een ruzie door Graaf Hendrik en Hertog Everhard gedood. Daarmede kwam een einde aan het Noormannen rijk.

Na de dood van de Deen Godfried, kwam Friesland in handen van de Friese koningGerulf, vazal van de keizer Lodewijk de Vrome. In 843 door het Verdrag van Verdun kwam het westerlijk deel van het Duitse keizerrijk in handen van Lotharus, een van de drie zonen van Lodewijk. Rond 885 verschijnt ook het eerste Hollandse graafschap in deze streken.

Gerulf overleed als monnik in 856 in het klooster Corvey in Westfalen, waar hij sinds 843 verbleef . Gerulf was vermoedelijk ook de vader van Dirk de Eerste. Deze Dirk I verwierf in het jaar 922 de kerk van Egmond, het toenmalige culturele abdij-centrum van deze streek en wordt als grondlegger van het Hollandse gravenhuis beschouwd. Graaf Dirk I stierf in 940.

De naamsaanduiding Suetan komt voor het eerst voor in een oud document genaamd Diploma Belgica, dat uit rond 950 dateerd. Deze naam geldt dan ook voor de streek, of dit de naam van het dorp is geweest is niet bekend.

Uit ca.950 dateert een lijstbewaard in het archief van het Bisdom Utrecht met een lijst van de bezittingen toebehorende aan de St. Maartenskerk te Utrecht. Hierop staan onder meer vermeld: — drie boerderijen te Suetan.

Van Suetan – een fries woord dat “zoet” betekend – (in het engels ‘sweet’) waarvan is afgeleid de naam Zwiet, die de naam gaf aan het riviertje de Zwiet, het dorpje Zwieten, later Zoeterwoude genoemd, (een woud aan de Zwiet), het slot Zwieten, huis van het befaamde geslacht Van Zwieten. De geschiedenis van deze befaamde adelijke Hollandse familie is nauw verbonden met de geschiedenis van het dorp Zoeterwoude. Zoals U in de kroniek van Zoeterwoude kunt lezen. 2)

Vanaf omstreeks het jaar 1000, onder het bewind van de Hollandse graven, werd begonnen aan het benutten en ontginnen van de Rijnlandse hoogveengebieden. Ze werden niet alleen als zomerweiden behorende bij de nederzettingen benut, maar ook voor vaste bewoning.

De oude veenkolonisatie schijnt vernietigd te zijn door natuurlijke oorzaken, zoals grote stormvloeden en duindoorbraken, waardoor het zeewater, binnengedrongen nadat de verwijdering van de zeegaten, de Zuiderzee in het jaar 1196 tot een zoute zee maakte.

De Friese kronieken verhalen dit feit en schilderen in schrille kleuren de schrik, die de intrede van de hoge vloeden en van het zoute water verspreidde.

In een oorkonde uit 1205 wordt een Florentius van Soetrewold vermeld. Hieruit kan men opmaken dat het dorp toen al bestond. Het lag op de grens van twee ontginningsgebieden. Deze ontginnings-gebieden zijn te herkennen aan de loop van de sloten. Waarschijnlijk is het ontginningsgebied met als uitgangsgebied de Zwiet – Weipoortse Vliet – het oudste. Bij het dorp stuitte men op het ontginningsgebied dat de Meerburgerwatering als basis had. De Zwetsloot – overblijfsel van een oud stroompje – vormt nog de zichtbare grens tussen beide gebieden. Deze sloot loopt van de Zuidbuurt naar de Dokter Kortmannstraat. 2)

In de Rijnstreek woedt een opvolgingsoorlog van 1203-1204 tussen gravin Ada en haar oom graaf Willem I. Hevige gevechten in de Rijnstreek en rondom de Leidse burcht. In deze periode moet ook het dorpje Zwieten geheel of gedeeltelijk zijn ontvolkt. Mogelijke oorzaken zijn: verwoestingen door de gevechten, of Graaf Willem I, die zich veel moeite heeft getroost om het stadje Leiden tot ontwikkeling te brengen, heeft de bewoners, al of niet gedwongen, verplaatst naar Leiden. Ook het oude Leiderdorp nabij de Zijl is in die tijd verdwenen, terwijl de bevolking van Oegstgeest drastisch in aantal verminderde. In deze periode is de stad Leiden juridisch losgemaakt van het omringende platteland. Het eerste gebiedsverlies van Zoeterwoude in het voordeel van de stad Leiden. 3)

Ongetwijfeld is omstreeks 1205 het zeewater ook van de Zuiderzee via het open IJ en het Spaarne ook in de Rijnstreek binnengevloeid. Men nam afdoende tegenweer door in 1220 het Spaarne af te dammen, maar eer het zo ver was moet er veel zijn verwoest en verschillende prille veen-nederzettingen zijn verlaten.

In het Zoeterwoudse gebied liep een oud natuurlijk stroompje van zoetwater, in de 17e eeuw de Zwiet genoemd en tegenwoordig de Weipoortse Vliet.

De Zwiet stroomt zuid-noord van het Zoetermeerse meer via de Noord Aa naar de oude Rijn en heeft zijn naam gegeven aan de nederzetting Zwieten gelegen aan de vroegste waterkering van de Rijnstreek, de Ommedijk vanaf 1226 aangelegd, die van de Rijn af langs de Weipoort en de Noord Aa door Stompwijk naar Leidschendam schijnt te hebben gelopen.Het dorp Swieten wordt voor het eerst aangegeven op een uit 1573 daterende kaart door Christiaan Sgroten, die in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel bewaard wordt.

De Wendeldijk die omstreeks 1226 voltooid werd, liep van de duinkant af langs Warmond, Alkemade, Leimuiden en Aalsmeer. Hij bezat zeven uitwateringssluizen om het Rijnwater door te laten en op die manier ook de dorpen ten zuiden van de Oude Rijn tegen het zeewater te beschermen.

De Ommedijk maakte de waterkering van de Spaarndam van 1220 en later overbodig. In 1253 laat de graaf van Holland, Willem II, een dam aanleggen in het Spaarne, 24 voet breed en waar hij een tol instelt.

Deze Ommedijk is wellicht al voor 1647 vernield.

Op 5 october van het jaar 1255 bevestigt graaf Willem II,(Rooms Koning sinds 1247), de autoriteit van het “Heemraetschap van den Spaarndamme”. Sinds 1324 draagt dit Hoogheemraadschap de naam Rijnland.

Een jaar later vond graaf Willem II een tragische dood bij Hoogwoud, waar hij door het ijs zakte en dood geknuppeld werd, in een mislukte veldtocht tegen de Friezen.

Heer Philips van Santhorst ontvangt op 17 februari 1305 Soeterwoude in leen van graaf Willem III van Henegouwen. Hij is de zoon van Dirk van Santhorst. 2)

In een goederenlijst uit 1312 komt voor het eerst Huis te Swieten voor, wat natuurlijk niet wil zeggen dat er hier niet eerder een versterkte curtis, dat is een grote boerenbehuizing met een omheining, kan hebben gestaan.

Na de dood van Heer Philips van Santhorst in 1317, wordt zijn zoon, ook Philips van Santhorst geheten, met zijn leengoederen beleend.

In 1321 wordt Swieten als een leengoed vermeldt. Dirk van Swieten is de eerste persoon waarvan wij weten dat hij de kasteelheer van Swieten was. Hij was de zoon van Gerard van Swieten, waarvan bekend is dat hij bezittingen had aan ondermeer de Groenendijk. De familie van Swieten is de meest dominerende familie in Zoeterwoudse geschiedenis geworden.

Uit een acte blijkt dat Heer Dirk van Swieten in tweede gehuwd was met Emmegaerde van Renneghem. Waarschijnlijk is hij door dit huwelijk ook in het bezit van het leengoed Rijnegom gekomen.

Uit grafelijke belasting documenten blijkt dat Soeterwoude een armelijk gebied was en dus niet aan extra belastingheffing was onderworpen.

In het funeste jaar 1345 verloor Heer Dirk van Swieten met graaf Willem IV zijn leven met “vierhonderd Baronnen, Ridders en Schildknapen”in de slag bij Staveren in Friesland. 4)

De grafelijke macht ging nu over op de zuster van Willem IV, Margaretha, die met de Duitse keizer, Lodewijk van Beyeren, getrouwd was. Dit was de oorzaak van het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse Twisten, tussen aanhangers en tegenstanders van de nieuwe voogdin. Rondom de Heer van Arkel ontstond de kern van de partij die later bekend zou staan als de Kabeljauwsen.5)

Er onstonden moeilijkheden tussen Margaretha en haar jonge zoon Willem de Verbeider, de latere Willem V.

De voorkeur in deze streken ging echter uit naar zijn moeder Margaretha, waarbij vele edelen uit deze omgeving op 5 september 1350 hun handtekening zetten onder een akte van trouw aan haar.

Willem gaat dan op oorlogspad en belegert verschillende kastelen rond Leiden. Wel verzoenen moeder en zoon zich weer in 1354 te Bergen in Henegouwen (thans Mons in België) maar de ontstane tegenstellingen tussen de Hoekse- en Kabeljauwse partijen duren voort tot 1492.

Opleving der twisten rond Jacoba van Beyeren, gravin van Holland en Karel de Stoute, hertog van Bourgondië. tijdens deze onderlinge strijd speelt ook het verhaal van Aleyd van Poelgeest, de jonge en schone minnares van hertog Albrecht van Beyeren.

De edele dame, Aleyd van Poelgeest, was de dochter van Jan van Poelgeest, die het ledig Klein Poelgeest in bezit had.Deze Jan had twee maal als schildknaap aan een kruistocht naar Jerusalem deel genomen.

Zij was hofdame van Hertog Albrecht van Beyeren, van de Alphense geschiedschrijver Petrus Plemper vernemen wij”dat zij in een zeer nauwe liefdes-betrekking met den Hertog leefde, terwijl hij Weduwnaar was en zij door een zeer groot gezag aan het Hof voerde”.

De hertog, genoeg hebbende van zijn weduwnaarsschap, hertrouwde kort daar na met dame Margaretha van Kleef. De invloed vanAleyd van Poelgeest werd toen aanmerkelijk minder.

Zij had zich door haar gedrag veel vijanden gemaakt, die zich nu op hun beurtwilden wreken en om te voorkomen dat ze haar liefde met de Hertog weer zou herleven, plannen maakten om haar binnenkort van het leven te beroven. In het jaar 1392 werd ze op het Plein van het Hof in Den Haag plotseling aangevallen en vermoord.

Willem Kuizer van Oostenrijk, de schoonvader van heer Claes van Swieten en hofmeester vanHertog Albrecht van Beyeren, nam deze aanval zwaar op. Hertog Albrecht heeft toen wraak genomen op verschillende Hoekse edellieden door hun kastelen te verwoesten op een veldtocht in de jaren 1393 en 1394.

Daarna echter werden sommigen van edellieden weer vrij gelaten op de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij op hun kosten een kapel aan de kerk van Koudekerk aan den Rijn moesten aanbouwen. Aan deze eis werd in het jaar 1453 voldaan door het aanvoegen van een koor en zijbeuken. De vernieuwde kerk werd door de Bisschop van Heriopolis ingewijd door machtiging van de Bisschop van Utrecht. 4)

Deze kerk werd gebouwd op de resten van een vroeger kerkgebouw door Dirk van Poelgeest gesticht. Dirk van Poelgeest was Dirk I, de zoon van Gerrit I, de eerst bekende Heer Van Poelgeest in Oegstgeest. Hij kocht het kasteel in Koudekerk en stierf in het jaar 1205. (zie mijn artikel over Koudekerk aan den Rijn op www.alphen.com).

Rond 1420 komt het weer tot treffen in deze omgeving, deze keer tussen Jacoba en haar oom Hertog Jan van Beyeren. Op St.Jansdag, 24 juni, 1420 wordt de stad Leiden ingesloten en werden de meeste kastelen rond de stad ingenomen. Waarschijnlijk is toen ook het huis Rijnegom verwoest. Vriend of vijand dat maakte niet veel uit, alles werd geplunderd en in brand gestoken. Leiden capituleerde in augustus en rond de stad bleven slechts puinhopen over. Zwieten werd een puinhoop.

Bekend uit het huis te Zwieten is nog dat in 1424 door Willem van Swieten van Montfoort in leen werd gehouden door zijn neef Hendrik van Naaldwijk, daarna allodiaal verklaard, d.w.z. als leengoed aangemerkt en verkocht aan Boudewijn van Swieten. Het huis werd in 1435 door Boudewijn van Swieten opgedragen aan Frank van Borselen, de geliefde van Jacoba van Beyeren en terug ontvangen als leen van het Huis Zuylen.

In 2002 werd officieël een herdenkingsfeest gevierd dat 725 jaar geleden, op 1 september 1276, het ambacht van Zoeterwoude door de graaf van Holland, Floris V, in leen werd uitgegeven aan Dirk van Santhorst om het in zijn naam te besturen.

Later kwam het ambachtsheerschap van Zoeterwoude vervolgens in handen van Agatha van Alkemade,Jan van Egmond, waarna de Raaphorsten een rol in onze geschiedenis komen spelen.

Omdat het ambacht vroeger veel groter was en een groot deel van wat nu de stad Leiden is omvatte, kocht de stad Leiden in 1545 een deel van het ambacht Zwieten voor haar toenmalige stadsuitbreiding en te maken stadsgracht.

Vandaar dat dit deel van de stadsgracht nog steeds de naam van Rapenburg draagt, naar de Heren Van Raephorst, die op dit deel van hat ambacht bezittingen hadden. 2)

Bekend is ook uit de geschiedenis van Zwieten volgens de geschiedschrijver Van Mieris, dat op het HuysSwieten in de 15e eeuw een uitgebreide bibliotheek aanwezig was. Dit werd mede veroorzaakt omdat in het huis een kapelanie aanwezig was. De toenmalige kasteelheren, die zich dit financieël konden veroorloven, hielden onderhielden vaak geestelingen. Deze zorgden naast de godsdienstoefeningen en het lezen van zielemessen voor de overledenen, ook voor het onderwijs van kinderen. Verder onderhielden zijn de boekhouding van het ambacht en schreven zij ook brieven voor de ambachtsheren, omdat deze beter jagen als schrijven konden.

Het dient ook vermeldt te worden dat veel kasteelheren vaak hun eigen molens hadden en zelf hun eigen polderbemalingen op peil moesten houden.

Ook de voortdurende kwisten en onenigheid tussen polderbesturen, met aan de ene kant de belangen der boeren ingelanden en aan de andere kant de ambachtsheer, die zich niets door deze boeren wilde laten opdringen, waren zeker niet bevoordelijk voor een goed plaatselijk ambachtsbeheer.

Jonkheer Adriaan van Swieten begint in 1560 een tevergeefs proces om de in 1545 door zijn voogden gedane verkoop van de rechten van Soeterwoude ongeldig te doen verklaren.

De eerste hagepreek – verboden protestantse kerkdienst in de open lucht – wordt in 1565nabij de ridderhofstede Coebel (aan de Haagweg) gehouden.

Eind 1566 bepaalde de synode van Antwerpen dat het wettelijk was toegestaan om de religie met de wapenen te verdedigen. Het schrikbewind van Alva maakte echter korte metten met de gereformeerde troepen en brachten het protestantisme aan de rand van de afgrond.

Buiten de Wittepoort wordt in 1567 aan de Haagweg voor de Protestanten een noodkerk gebouwd. Met de komst van de hertog van Alva, die tot opdracht had de Spaanse orde te herstellen en het protestantisme te vernietigen, wordt deze kerk weer afgebroken.

Jan Cornelius van Oossanen is pastoor te Soeter­woude sinds 1567. Hij overlijdt op 2 october 1574 te Haarlem waar hij na het uitbreken van de oorlog tegen Spanje zijn toevlucht had gezocht.

Jonkheer Adriaen van Swieten vlucht in 1568 naar Embden in Duitsland, waarna hij door hertog Alva wordt verbannen en vogelvrij wordt verklaard. Hij werkte nauw samen met Willem van Oranje en anderen in hun verzet tegen Alva. Dit is het begin van de Tachtig-jarige oorlog met Spanje voor het verkrijgen van geloofsvrijheid en de onafhankelijkheid van Holland.

Jonkheer Adriaan van Swieten keert in 1570 voor enige tijd clandestien terug op kasteel Swieten.

Onder de Watergeuzen die Brielle op 1 april 1572 veroveren bevindt zich ook Jonkheer Adriaan van Swieten, die een leidende rol gaat spelen in de beweging van de Watergeuzen, een spotnaam voor de aanhangers van Willem van Oranje.

De stad Leiden wordt op 31 october 1573 door de Spanjaarden ingesloten en bezet.

De Spaanse troepen bouwden in het voorjaar en de zomer van 1574 schansen bij Boshuysen, Lammen en aan de Hoge Rijndijk tegenover Leiderdorp. Het dorp Zwieten wordt bezet door Spaanse troepen. Geruïneerd of verwoest werden het klooster Roomburgh als mede de kastelen Swieten en het huis Cronesteyn.

Van 24 tot 27 september 1574 vonden enige schermutselingen plaats met de Spaanse bezetting die te Soeterwoude en op Swieten gelegerd zijn. Het gehele dorp Zwieten werd geplunderd en verwoest en komt slechts zeer langzaam de gevolgen van deze zware slag te boven.Het kasteel Zwieten was in brand gestoken om te verhinderen dat de gehate “Spanjolen” zich erin zouden nestelen.

Tot overmaat van ramp kijkt Leiden met lede ogen naar de vele nering rond de stad, als daar zijn de scheepswerven, leerlooyerijen, azijnmakerij, zeilmakerij, pottenfabrieken, houtzaagmolens, 6 stuks koren- en oliemolens en kalkbranderijen en trachtte dit door middel van belastingen enzovoort te bezwaren.

Op 15 october 1574, twaalf dagen na het ontzet van Leiden, wordt Margaretha van Culemborg als opvolgster van haar overleden moeder Agatha van Alkemade, officieël ingeschreven als Ambachtsvrouwe van Soeterwoude. Op dat moment was dit gebied zo goed als ontvolkt, voor een groot gedeelte verwoest en stond het geheel of gedeeltelijk onder water. Vrouwe Margaretha zal uit dit bezit in de eerste jaren weinig inkomsten hebben genoten. Na de Spaanse oorlog wordt het kasteel Zwieten weer helemaal opgebouwd. De afbeeldingen die wij van het huis Zwieten hebben dateren dus uit de periode na de opbouw. De mooiste en bekendste zijn van de hand van Roeland Roghman, die van 1620 tot1686 leefde en die veel kastelen en buitenhuizen in het Rijnland geschetst heeft.

In het jaar 1602 verkoopt Jonkheer Adriaen van Swieten zijn voorvaderlijk kasteel Swieten aan Heer Hugo Cuyk van Mierop , Heer van Calslagen. Jonkheer Adriaan mag de titel van Heer van Swieten tot zijn dood – in 1624 – blijven voeren.

De kinderen van Van Mierop verkochten in 1632 het kasteel Zwieten aan Cornelis Bicker, burgemeester van Amsterdam en hoogheemraad van Rijnland. De familie Bicker beheerst in belangrijke mate het politieke en economische leven in die tijd van de stad Amsterdam. De zoon van Cornelis, Gerard Bicker, erft in 1660 het kasteel Zwieten van zijn vader. Hij neemt nu de naam Heer Gerard Bicker van Swieten aan.

In 1666 schenkenHeer Gerard Bicker van Swieten, hoogheemraad van Rijnland en zijn echtgenote Cornelia Bicker van Swieten een gebrandschilderd glas aan de Oudhoornse kerk. (thans in Alphen aan den Rijn) 7)

In 1717 onderging het kasteel Zwieten een grote verandering, zowel in- als uitwendig. Ook de tuinen werden geheel naar de toenmalige franse stijl opnieuw ingericht, met grote waterpartijen, in navolging van de tuinen van het Paleis van de Franse Koning Lodewijk XIV te Versailles, bij Parijs. In de tuin van kasteel Zwieten kwamen, als ook in imitatie van Versailles, beeldengroepen voor, waarbij enkele sphinxen. Deze sphinxen werden later, toen het kasteel in 1794 in verlaten werd, per veiling verkocht aan graaf van Bijland voor zijn herenhuis aan de Rijndijk.

Mr. Gerard Bicker, de eigenaar van het buiten Swieten, overlijdt in 1753.

De familie Bicker verkoopt Swieten in het jaar 1755 aan de Heer Lampsin,baron van Tobago. Deze verkochthet domein echter weer in 1777 aan Jan Danser-Nijman. Lang heeft deze het kasteel niet lang bewoond, want in 1794 bleek het leeg en verlaten te zijn en in 1795 blijkt uit akten dat hetkasteel ontmanteld werd en met de sloop begonnen was. De afbraak is in 1805 voltooid, het puin is later gebruikt voor de verhar­ding van de weg Den Haag – Gouda. Alleen de slotgracht met enkele muur- en funderingsresten in het water is alles wat er van het eens zo prachtige kasteel Zwieten overbleef.

Er hoorden bij het kasteel 9 morgen (7.7 ha.) land en is in de tijd van Adriaen van Swieten uitgebreid tot 54 morgen (45.9 ha.) land. Ook had het kasteel een mooie oprijlaan met essen gepland en een poort, waar bij graafwerkzaamheden nog iets is van teruggevonden. Tevens waren er, zoals in de mode van de tijd, zoals bij het Hof van Alphen, boomgaarden, singels en een ommedijk. Maar dit is nu allemaal verleden tijd.

SIC TRANSIT GLORIA MUNDI.

door Hans Arie Kroon in Parijs, 19 januari 2004.

Bovengaand artikel werd voor het eerst onder de titel “Het huis te Zwieten” gepubliceerd in het Van S/Zwieten Contactblad(11e jaargang – nr.1-maart 1987) en door mij met de volgende bronnen aangevuld en gecompleteerd :

1) P.C.Beuder (1990) : “Castella en Havens, Kapellen en Hoven” .

2) Kroniek van Zoeterwoude (document internet)

3) Aantekeningen van Hans van der Does in de Kroniek van Zoeterwoude.

4) Petrus Plemper : “Beschrijving van de Heerlijkheid en het Dorp Alphen aan den Rijn ” (1714)

5) Thimo de Nijs en Eelco Beukers : “Geschiedenis van Holland”, deel I (Hilversum, 2002).

6) P.C.J.Ruigrok : “De Bourgondisch-Habsburgse Nederlanden”, document internet (2000).

7) Dick Peters : “De zeventien gebrandschilderde glazen in de Oudhoornse kerk” (2003)

Met een speciale dank voor zijn vriendelijke medewerking aan Koos Jaap van Zwieten, Diepenbeek, België, voor het tot mijn beschikking stellen van het Van S/Zwieten Contactblad(11e jaargang – nr.1-maart 1987) en de Kroniek van Zoeterwoude.

*************

Het volgende artikel werd gevonden op www.alphen.com/geschiedenis
en is geschreven door Hans Arie Kroon in 2007
(Jan de Blom en zijn vrouw Neeltje worden expliciet genoemd!)

Holland gedurende de Franse bezetting

Auteur: Hans Arie Kroon

De Franse Revolutie van 1789 had ook voor ons land verdragende gevolgen. En voor de familie Kroon natuurlijk ook. De Franse Revolutie was besmettelijk voor de omringende landen.
Franse revolutionaire troepen trokken Belgie (toen de Oostenrijkse Nederlanden) binnen onder bevel van Generaal Jean-Baptiste Jourdan. De Oostenrijkse troepen werden werden op 26 juni 1794 verslagen bij het plaatsje Fleurus.
Dit was het begin van een Frans offensief tegen de Lage Landen. In deze veldslag werden voor de eerste keer ballonnen voor observatie gebruikt. België en Luxemburg werden door Frankrijk geannexeerd. De beurt van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën , de noordelijke Lage Landen, zou spoedig komen.
Aan het einde van het jaar 1794 trokken de Franse troepen Holland binnen onder het bevel van Generaal Charles Pichegru. Franse troepen defileerden in Amsterdam in december.
In januari 1795 raakte de Marine van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën rondom het eiland Texel door pakijs ingevroren en werd bij Den Helder door de Franse troepen verslagen.
De Republiek der Zeven Verenigde Provinciën werd nu een zuster-republiek van Frankrijk onder de naam van de Bataafse Republiek. De stadhouder Willem V vluchtte voor de tweede keer naar Engeland. De regering in Parijs maakte de wet uit in de Bataafse Republiek, provincies werden door departementen vervangen. Na Frans voorbeeld nu genoemd na rivieren en riviermonden. Zelfs de namen van de maanden werden veranderd en de Franse revolutionnaire kalender werd aangenomen.
Ook op plaatselijk bestuur van de dorpen en steden kwamen er ingrijpende veranderingen. Dat zal vast niet zonder gevolgen geweest zijn voor onze familieleden en onze landgenoten in het algemeen. De macht in de afzonderlijke steden en dorpen in het platteland werd overgenomen door revolutionnaire comités.
Schouten, ambachtsbewaarders en schepenen werden ontslagen. Ambachtsbesturen werden vervangen door “municipaliteiten” en de Franse taal ingevoerd naast de Hollandse taal in officiële aktes, zoals we in het boek van Dick van Wingerden “Vier eeuwen familie Kroon” (Rotterdam mei 2000) kunnen lezen. De schout, ambachtsbewaarders en schepen werden verzocht “het veld te ruimen”. In Oudshoorn werden twee uitzonderingen gemaakt voor de bode Jacobus van Yzendijk en de secretaris Cornelis van der Lee mochten aanblijven, deze waren volgens de nieuwe Franse machthebbers “het vertrouwen van het volk waardig”.
Ook in Woubrugge kwam verandering in het ambachtsbestuur. Jacob Claessen werd in maart 1795 als schout afgezet. Abraham Kroon, landbouwer en tevens schepen van de Heerlijkheid Esselijkerwoude, protesteerde in een woedig vlugschrift aan de Représanten van het Volk.
Ook in het dorp Alphen vonden ingrijpende veranderingen plaats. De Oranjegezinde schout, Leendert Ciggaer, werd door de Fransen in 1795 afgezet en vervangen door Pieter Dozy. Zoals vele Holllanders in die tijd van de gegoede middelklasse was hij fransgezind. Hij was geen vurig patriot en voor Alphen geen slechte schout, hij was zelfs een zeer gematigde figuur. Hij bleef aan gedurende de periode dat Lodewijk Bonaparte (de broer van de Franse Keizer Napoleon), Koning van Holland was.
Maar door problemen met het Franse bewind werd Pieter Dozy in 1811 uit zijn ambt gezet, maar hij bleef aan als vrederechter tot aan zijn dood in 1836. Na de afzetting van Pieter Dozy als schout van Alphen werd hij vervangen door J.E.Goetzee die aan bleef tot december 1812.
Op 29 juli 1809 trachtten de Engelsen een militaire expeditie om in Walcheren te landen om de Fransen te verdrijven. Dit draaide echter op 9 december op een mislukking uit. De Hollanders waren steeds minder bevreden met het Franse bewind. Op 9 juli 1810 zette Napoleon zijn broer af als Koning van Holland. Holland werd nu eenvoudig bij Frankrijk ingelijfd.
In 1812 leed Napoleon een grote nederlaag in zijn mislukte campagne in Rusland, waar bij tientallen duizenden soldaten gedood werden of gevangen genomen. Hollanders en mannen van andere ingelijfde landen, namen ook aan deze expeditie verplicht mee. Duizenden kwamen nooit meer naar haar gezinnen terug. Vele vielen in de verschrikkelijke terugtocht in november 1812 met temperaturen van -30°
Het Franse bewind was echter niet helemaal negatief voor ons land. Behalve de belangrijke veranderingen op het gebied van landelijk en plaatselijk bestuur, was de invoering van het “système métrique”. Het was gedaan met “morgens en roeden” voor oppervlakten, het werden hectaren (1 hectare was ongerveer 0.875 morgen, 1 roede was 3.44 meter en er waren zelfs nog plaatselijke verschillen). Alhoewel op het platteland nog lang over “morgens” en “bunders” werd gesproken.
Afgelopen ook met de “de Hollandsche voeten” hier kwamen “meters” voor in de plaats en kilometers in plaats van “mijlen”. Voor inhoudsmaten kwamen liters en hectoliters, alhoewel nog jaren lang in de volksmond de oude maten werden gebruikt.
Maar nog veel belangrijker voor ons was in 1811 de invoering van de Code Civil (Wet op de Burgelijke Stand). Geboortes, huwelijken en overlijden werden nu in de nieuwe “municipaliteiten” in het bevolkingsregister ingeschreven en niet langer in kerkregisters.
Een Code Pénal (Wetboek van Strafrecht) en een Code d’Instruction Criminelle (Wetboek van Strafvervolging) werden eveneens ingevoerd en in ons land toegepast. Met de verschrikkelijke gevolgen voor sommige van onze landgenoten uit het Rijnland.

De opstand tegen het Franse bewind begon in Alphen

Een vergeten geschiedenis

De opstand tegen het Franse bewind begon 20 april 1813 in Alphen met het uithangen van de oranjevlag uit de toren van de Alphense dorpskerk. De oorzaak van deze opstand was de conscriptie, verplichte dienstplicht, voor alle mannen in de leeftijd van 20 tot 40 jaar. Het was makkelijk voor het bewind die mannen op te roepen, daar ieder burger nu in de bevolkingsregisters moest zijn ingeschreven.
Vele doken onder om aan de conscriptie te ontwijken. Relletjes braken uit vooral in Woubrugge, Oudshoorn, Leiden en Alphen. Franse gendarmes maakten arrestaties van zeven en twintig oproerscheppers die in Leiden voor de krijgsraad moesten staan. In toepassing van het pasingestelde Wetboek van strafvervolging werden negen beklaagden vrijgeproken, dertien veroordeeld tot zware gevangenisstraffen en vijf mannen ter dood veroordeeld.
Vier werden voltrokken en één man, Jan de Blom, een 49-jarige molenaar uit Alphen, slaagde er in de vlucht te nemen. De dorpelingen uit Woubrugge en Oudshoorn werden opgesloten in de Leidse gevangenis ‘s-Gravestein.
Op donderdag 29 april 1813 werden Cornelis van den Bos, een 30 jarige timmerman uit Alphen; Cornelis Kruyk, eveneens uit Alphen, huisbediende 26 jaar; Abraham van Duren, een 34 jarige schoenpoetser uit Leiden en Frans Ribot, een 42 jarige lijndraaier, eveneens uit Leiden, op de Vestwal vlakbij de Hoogewoerdsepoort in Leiden, door de Fransen doodgeschoten (gefusileerd zeggen de Fransen). Om de rust bij de executie te kunnen handhaven, werden 600 man Franse troepen naar Leiden gezonden. Die bleven daar drie weken.
Het gaat zonder zeggen dat deze executies veel emotie veroorzaakten in Alphen en Leiden. Mensen waren stil en bang in afwachting van andere gebeurtenissen. Maar de volksopstand was door Franse militaire kracht onderdrukt.

image

Vignette van ’t Dorp Alphen met de Oranjevlag op de Alphense kerk

In mei moesten dorpelingen zich inschrijven om in dienst te treden van de Nationale Garde. Op 2 mei had het Franse leger een overwinning behaald op de Russen en de Pruisiërs bij Lützen en daar kreeg de “medewerker”, schout van Oudshoorn, Leendert Kalkoven opdracht voor om op zondag 23 mei in alle kerken gedankdiensten te houden en een “Te Deum” te laten zingen.
Op 15 augustus 1813 werd de verjaardag van “Zijne Majesteit den Keizer en Koning” in ons verplicht gevierd met forse klokkengeluid, het houden van dankdiensten in de kerken en het uithangen van vlaggen van “des Morgens tot Zonneondergang” op alle publieke gebouwen en schepen. Officiële bekendmaking van het programma werd op 12 augustus door de Adjunct Maire van Oudshoorn, Leendert Kalkoven, bekend gemaakt.
Maar het is niet zeker dat God zo met Napoleon was. De troepen van de Europese Natie verzamelden zich in een coalitie en brachten aan de Franse Keizer een grote nederlaag toe in de “Bataille des Nations” (de Slag des Naties) op 16-19 oktober bij Leipzig in Duitsland.

image

Slag des Naties – 18 oktober 1813 – troepen van Russen en Pruisen belegeren Leipzig

Dat bracht een einde aan de Franse overheersing in Europa en dus de Franse bezetting van ons land. De laatste Franse troepen vertrokken uit het Rijnland aan het einde van november 1813, niet zonder om op 24 november in Woerden de misdaden herhaalden die hun voorvaders in 1672 hadden bedreven in Zwammerdam en Bodegraven. Vele inwoners werden mishandeld en gewond. In de stad werd grote schade aangebracht door terugtrekkende troepen.

Op 19 november werden de gevangen dorpelingen uit de Leidse gevangenis ontslagen.

Op 23 november werd bij proclamatie in ‘s-Gravenhage, Nederland weer vrij verklaard. Een Algemeen Bestuur werd ingesteld door Gijsbert Karel van Hogendorp, A.F.J.A. graaf van de Duyn van Maasdam en Leopold graaf van Limburg Stirum, om het land weer op normale gang te brengen, na het definitief vertrek van de Franse troepen. De prins van Oranje, in ballingschap in Engeland, werd teruggeroepen.

image

Het Algemeen Bestuur met v.l.n.r. Gijsbert Karel van Hoogendorp, A.F.J.A. graaf van Duyn van Maasdam en Leopold graaf van Limburg Stirum trad op als voorlopige regering na de proclamatie van 21 november 1813

De terugkeer van de Prins van Oranje

Op vrijdag 26 november verliet prins Willem Frederik met het schip “The Warrior” Engeland in gezelschap van de vertegenwoordiger van de Engelse regering, Richard le Poer French, Earl of Clancarty.

De Noordzee was slecht met hoge golven en zware windvlagen. Pas vier dagen, op dinsdag 30 november 1813, later landde het schip op het strand van Scheveningen, tegen vier uur in de middag. De sloep van de prins en zijn gevolg kwam ongeveer op dezelfde plaats aan waar hij achttien jaar eerder met zijn vader naar Engeland had moeten ontvluchten.

image

Landing van Prins Willem Frederik te Scheveningen

De prins werd eerst door enthousiaste vissers in een door paarden getrokken boerenwagen naar het huis van de tijdelijke gouverneur van de stad , Leopold graaf van Limburg Stirum, gebracht op de Lange Voorhout, bedekt met bladeren als gevolg van de zware storm van de voorafgaande dagen.
Inmiddels waren uitnodigingen uitgezonden naar de Haagse notabelen om kennis te maken met de prins.
Na afloop van de audiëntie van de notabelen dracht de prins een bezoek aan Gijsbert Karel van Hogendorp in zijn woning aan de Kneuterdijk. Veel werd er in de kranten niet over geschreven, althans niet over de inhoud van het gesprek. In ieder geval had van Hogendorp geijverd voor de terugkeer van het Oranjehuis. misschien had hij persoonlijke politieke ambities, maar dat weten we niet. Van Hogendorp had een schets gemaakt voor een grondwet. De prins was in 1813 één en veertig jaar oud, geen politieke ervaring. Zou hij een nieuwe stadhouder worden ?
Het Oranjebewind werd in alle eer hersteld in Holland in de persoon van prins Willem Frederik, die op donderdag 2 december 1813 in de Nieuwe kerk op de Dam te Amsterdam officieel als souveraine vorst werd ingehuldigd onder de naam van Koning Willem I.
Op zondag 5 december werden in alle kerken in Holland een dankdienst gehouden. Holland was weer vrij ! Dominee Sieverts hield zijn dankdienst in de Alphense kerk, daar waar acht maanden eerder de opstand was begonnen. Zijn preek was zeer indrukwekkend en de aanwezigen luisterdan met grote aandacht. Aanwezig waren als plaatselijke notabelen Leendert Ciggaer, in zijn funktie hersteld als schout van Alphen, Pieter Dozy, de vrederechter van Alphen en Steenstra Toussaint, schout van Aarlanderveen. Ook was aanwezig, in de overvolle kerk, Jan de Blom, die door vlucht zijn hoofd had gered in Leiden in april 1813.
Naast hem zat zijn vrouw Neeltje en hun acht kinderen.
Dominee Sieverts gebruikte in zijn preek de volgende woorden:

“……Dictatuur schrijft voor wat een mens moet denken en geloven. Maar dictatuur heeft geen toegang tot je hart, je gevoel en je geloof. Dictatuur schrijft voor om in de kerk te bidden voor de keizer der Fransen. Ook in déze kerk. Maar bidden doe je niet op commando. Bidden doe je met je hart., van je binnenkant, omdat je het wilt!” Wij kunnen nu in vrijheid bidden. Daazrom moeten we steeds bedenken dat in de strijd om die vrijheid de generaals onze helden zijn, doch dat het de soldaten zijn die voor de vrijheid hebben moeten vechten. De namen van de generaals worden opgetekend in het boek van de historie. De soldaten blijven echter naamloos en worden zeer snel vergeten.
De soldaten van onze gemeente hebben zo ver vooraangestaan, dat ze niet meer terug zouden komen. Hun stoelen zijn voortaan leeg. Wij missen hen. Wij missen Cornelis van den Bos en Cornelis Kruyk. Samen met vele anderen uit onze gemeente hebben zij gezorgd dat wij vandaag in vrijheid kunnen danken en bidden”.

Dominee Sieverts kijkt de kerk rond. Hij wacht, als hij nadenkt. Het blijft stil in de kerk, niemand beweegt. Hij stond eerst met beide handen geleund op de lezenaar, doch nu recht hij zich. Hij wijst dwingend met zijn rechterhand de kerk in. Het lijkt wel alsof hij iedereen persoonlijk aan wijst. Zijn stem klinkt plotseling indringend. Ieder woord wordt apart uitgesproken.

“Vandaag zijn we dankbaar. Vandaag kennen we ook nog de soldaten, die voor ons hun leven hebben gelaten. Vandaag gedenken wij Cornelis van den Bos en Cornelis Kruyk. Vandaag gedenken wij de slachtoffers van de onderdrukking. Wij moeten echter wel bedenken dat uw gemeenschap haar gevoelens in niets zo zeer zal tonen, dan door hetgeen u zult vergeten. Kennen we morgen alleen nog maar de generaals? Laat ons danken.”

Dominee Sieverts vouwde zijn handen en boog zijn hoofd.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in de “International Kroon Times” nr.9 (juli 2003).

Bronnen geraadpleegd voor dit artikel :

  • Henk Dinkelaar : “Volk in Opstand, Dagboek van een Dorpeling”- Stichting Rijnlandse Historiën, Alphen aan den
    Rijn, 1990.
  • Jean Tulard : « Napoléon » – Librairie Arthème Fayard, Paris, 1987.
  • Georges Bordonove : « Napoléon » – Editions Pygmalion – Gérard Watelet, Paris, 1978.
  • Gunther E.Rothenberg : “Les Guerres Napoléoniennes”- Editions Autrement, Paris, 2000.
  • Marcel Baldet : “Dans les armées de Napoléon” – Librairie Hachette, Paris, 1964.

© Hans Arie Kroon – 18 november 2007.

***************