Leidse voorouders uit de zuidelijke Nederlanden – door Victor Poolen

Onderstaand artikel is (met welwillende en schriftelijke toestemming) overgenomen van Victor Poolen (www.vicpoolen.nl),

waarvoor mijn hartelijke dank!.

*******

Leiden

LEIDSE VOOROUDERS UIT DE ZUIDELIJKE NEDERLANDEN

INLEIDING bij de KWARTIERSTAAT vanJohanna Maria Willemse
ged. Alphen a/d Rijn 30-4-1775
dv.Jacobus Willemseen Jacoba Cornelia de Groot


Samenstelling: Vic. Poolen 3-9-2008

_______________________________________________________________________________________________________

Inhoud

1. Inleiding

2. Situatie omstreeks 1555

2a Economische ontwikkelingen tot omstreeks 1555

2b Religieuze ontwikkelingen tot omstreeks 1555

3. Ontwikkelingen na 1555

4. Leiden na 1574

4a. Immigratie

4b. Religie – de Waalse gemeente – Kerkelijke administratie

4c. Textielnijverheid

4d. De arbeidsverhoudingen en het productie proces

4d1. Voorbereiden

4d2. Kammen en Spinnen

4d3. Weven en eerste bewerkingen

4d4. Afwerken (appreteren)

4e. Leiden, uitbreidingen en stadsindelingen

4f. Huisvesting, leefomstandigheden en pestepidemiën

5. Toelichting op de kwartierstaat

6. Bijlage: Overzicht oude en verdwenen straatnamen

7. Literatuur

8. Eindnoten
1. Inleiding 
Oorspronkelijk was het mijn bedoeling om de kwartierstaat van mijn grootvader Willem Hendrik
Poolen
(1875-1961) in zijn geheel te publiceren. Afkomstig uit een Rotterdams geslacht bleek dat

echter een dergelijke omvang aan te nemen, dat ik besloot de voorgenomen kwartierstaat te
splitsen in die van zijn ouders Willem Jan Fredrik Poolen (1846-1917) en Anna Koster (1844-1911).
Door het verschil in maatschappelijke afkomst bleek tevens dat elk van deze kwartierstaten daardoor ook
een betere samenhang kreeg.

Als eerste rondde ik vervolgens de kwartierstaat van mijn overgrootmoeder Anna Koster af, die in het maart-
en het aprilnummer 2004 van het maandblad Ons Voorgeslacht werd opgenomen<1>. In de verdere
uitwerking van de kwartierstaat van haar echtgenoot bleken de kwartieren van zijn grootmoeder,
Johanna Maria Willemse, waarvan haar (voor)ouders uit Leiden afkomstig waren, eveneens een grote
samenhang te vertonen. Veel van haar voorouders en hun kinderen met aangetrouwden kwamen
oorspronkelijk rond het jaar 1600 uit de Zuidelijke Nederlanden en hadden hun beroep in de textielnijverheid.
Aangezien de omvang van de kwartierstaat van Willem Jan Frederik Poolen inmiddels die van zijn vrouw blijkt
te overschrijden, heb ik gemeend deze Leidse familietak daaruit te lichten en afzonderlijk
ter publicatie aan te bieden. Dit geeft mij ook de mogelijkheid om wat dieper in te gaan op
de historische achtergronden, waardoor zij zich uiteindelijk gedwongen voelden om met vele
andere refugiees hun geboortestreken te ontvluchten.
Bijgaande fragment-kaart geeft de plaatsen aan van herkomst van de Zuid-Nederlandse voorouders,
hun kinderen en aangetrouwden, zoals die in de kwartierstaat van Johanna Maria Willemse voorkomen. In een
beknoptere vorm is deze kwartierstaat en inleiding opgenomen in het juli/augustus-nummer 2008 van
Ons Voorgeslacht<2>.



2. Situatie omstreeks 1555 
Door vererving, diplomatieke manipulatie en militaire usurpatie had Karel V (1500-1558),
Duits keizer en koning van Spanje, uiteindelijk het gezag verkregen over een gebied dat
ongeveer het huidige België en Nederland omvatte en waarover hij als Heer der Nederlanden
het volledige zeggenschap had. Een belangrijke bron van inkomsten voor hem was met name het
zuidelijke deel van de Nederlanden. Naast de belangrijke handelssteden Brugge, Gent en
Antwerpen, bezat Vlaanderen een omvangrijke textielnijverheid. Uit overwegend politieke
motieven had hij verordonneerd dat het Rooms Katholicisme de enige toegestane religie was
en werden andersdenkenden als ketters vervolgd.
2a. Economische ontwikkelingen tot omstreeks 1555<3>
Sinds de 11e eeuw had zich in Vlaanderen een vroeg kapitalistische lakenindustrie ontwikkeld,
die uit hoogwaardige Engelse wol het gerenommeerde Vlaamse laken produceerde. Dat kwam tot stand
door middel van arbeidsverdeling, waarbij verscheidene handwerkers een deel van het
productieproces voor hun rekening namen. Vanaf omstreeks 1350 onderging de lakennijverheid
en de daarmee samenhangende lakenhandel via Brugge en Gent stagnatie, omdat men in Engeland zelf
het laken ging produceren en de Engelse koning zelfs beperkende maatregelen afkondigde voor de
export van wol. Deze stagnatie zette zich verder door, toen er in de 15e en 16e eeuw op de
wereldmarkt een grote vraag opkwam naar goedkopere stoffen dan het uit Engelse wol vervaardigde
laken.
Op het platteland in Zuidwest-Vlaanderen had zich echter al sinds de 14e eeuw een
textielnijverheid ontwikkeld, waar lichte weefsels met een sobere afwerking -voornamelijk saaien
vervaardigd uit de losse sajetdraad) en baaien (met schering van kaardwol en inslag van kamgaren)
uit vooral goedkope Spaanse wol- werden gemaakt. Omdat de voornamelijk stedelijke gilden van
Vlaamse lakenwevers op grond van hun beschermende gilderegels niet insprongen op de gewijzigde
vraag en ontwikkelingen, werden zij door de productie van de lichtere stoffen overvleugeld.
Hondschoote -niet gehinderd door gilderegels- werd met zijn industriele textielnijverheid het
grote middelpunt en richtte de handel, waaronder de aanvoer van het Engelse laken, zich op het
Brabantse Antwerpen, daar evenmin gehinderd door beperkende regelgeving.
Als gevolg van deze ontwikkelingen en regelmatig terugkerende hongersnoden was inmiddels in de
loop van de tijd in Zuidwest-Vlaanderen ook een omvangrijke bevolkingsgroep van verpauperde
textielwerkers ontstaan, die licht tot revolutionaire opstandigheid was geneigd.
Ook in Leiden had zich een lakenindustrie ontwikkeld die met Engelse wol werkte en waarvan het
eindproduct kon concurreren met het Vlaamse laken. Maar ook hier werden de zich wijzigende
omstandigheden merkbaar en stagneerde na verloop van tijd ook de Leidse lakennijverheid.
Een tweede textielnijverheid die vooral op het platteland floreerde was de linnenweverij.
Henegouwen was daar oudtijds het centrum van geweest, maar in de 15e en 16e kreeg Zuidoost-
Vlaanderen het belangrijkste aandeel, omdat op de vruchtbare akkers van dit gewest veel vlas
verbouwd kon worden. Verder vond uitbreiding van deze tak van nijverheid ook plaats in
noordelijk Brabant en rond Haarlem.

2b. Religieuze ontwikkelingen tot omstreeks 1555.
Bij de bevolking bestonden er wel bezwaren tegen de Rooms-Katholieke kerk,
maar die waren eerder gericht op de strijd om het dagelijkse bestaan. Voor hen was het pure ellende
en armoede, wachtend en hopend op de betere tijden, die overigens wel erg lang op zich lieten wachten.
De bezwaren<4> waren zowel sociaal/maatschappelijk als religieus/ethisch van aard:
– Sociaal/maatschappelijk onder andere door het omstreden optreden van bedelorden, die de zorg
voor de echte armen in het nauw bracht. Hierdoor moest de wereldlijke overheid die zelf ter hand nemen,
met alle financiële consequenties van dien, maar die bovendien de verhoogde belastingdruk moest
opvangen als gevolg van de belastingvrijdom van de vele, vooral in de steden aanwezige kloosters.

– Religieus/ethisch betreurde menigeen het dat de Bijbel niet meer tot zijn recht kwam en de bijbelse
waarheid het afleggen moest voor traditie, mirakelverhalen en heiligenverering. Daarbij kwam het
ongeregelde en niet zelden ronduit onzedelijke leven van de hoge en lagere geestelijkheid en over hun
ontstellend gebrek aan kennis.
Hoewel er reeds veel eerder pogingen waren ondernomen om de Rooms-Katholieke Kerk op het goede
spoor te zetten, wordt 31 oktober 1517 als het traditionele begin van de Hervorming in Europa beschouwd.
Op die datum plakte, volgens de overlevering, priester-hoogleraar Maarten Luther (1483-1546) op de deur van
de kerk te Wittenburg in Duitsland een plakkaat met 95 stellingen tegen de kerkelijke gang van zaken.
Uit de door Luther ingezette beweging kwamen op korte termijn een aantal kerkelijke hoofdstromingen voort,
die niet de Rooms-Katholieke kerk wisten te hervormen maar uiteindelijk als de Reformatie een onafhankelijk
weg opgingen. Een van deze stromingen was het Calvinisme, geformuleerd volgens de inzichten van Johannes
Calvijn
(1509-1564).
In 1541 vertrok deze op verzoek naar het Zwitserse Genève om de reformatie daar verder vorm en inhoud te
geven. Vanaf dat moment stammen zijn grote hervormings-werkzaamheden, waarin aan adel en bestuurders een
grote plaats werd toegekend en de kerk hiërarchisch werd gestructureerd. Wereld en arbeid werden
positief gewaardeerd en geld uitgeven diende tot besef van eigen verantwoordelijk en ten nutte van de
medemens.
Ook in het buurland Frankrijk ontstonden er een aantal geloofs-gemeenschappen volgens de leer van
Johannes Calvijn. Omstreeks 1544 vond er vanuit Frankrijk predikingen plaats in het Franstalige deel
der zuidelijke Nederlanden en werd er spoedig daarna ook tot gemeentevorming overgegaan.

3. Ontwikkelingen na 1555<5>
In 1555 deed Karel V te Brussel afstand van zijn troon waarbij zijn zoon Filips II (1527-1598) hem als
landsheer van de Nederlanden en als koning van Spanje opvolgde en zijn broer Ferdinand van Habsburg
(1503-1564) als Duits-Oostenrijks keizer. Filips II zette het beleid van zijn vader voort en verhevigde de vervolgingen en
veroordelingen van de ketters. In 1559 vertrok hij naar Spanje en had zijn halfzuster
Margaretha van Parma (1522-1586) als landvoogdes over de Nederlanden aangesteld. Als plaatsvervanger
van de koning in het graafschap Holland en Zeeland en in het bisdom Utrecht werd prins Willem van Oranje
(1533-1584) benoemd als stadhouder (de vertaling van het Franse lieutenant) en tevens als gouverneur van Antwerpen.
Het Calvinisme ging steeds meer een sociale en politieke boodschap verkondigen en nadat calvinistische geschriften in 1562 en
daarna in Nederduitse vertalingen en bewerkingen beschikbaar kwamen, verwierf
deze religieuze stroming in het gehele gebied der Nederlanden aanhang. In de Zuidelijke Nederlanden
verkreeg deze ketterij -of heresie zoals dat veelvuldig in de Vlaamse literatuur wordt genoemd- in de streek
tussen Gent en Brugge een grote aanhang. Het is verder ook niet opmerkelijk dat de Westhoek, het gebied
rond Hondschoote met zijn industrieel proletariaat, nagenoeg geheel naar het Calvinisme is overgegaan.

Omstreeks 1560 legden de Engelsen om politieke redenen de wolhandel met de Vlaamse gebieden stil en
trad er een economische teruggang op in de genoemde industriegebieden, die in deplorabele toestanden vervielen.
De beroeringen die volgden in de jaren 1565-1566 zijn mede veroorzaakt door armoede en hongersnood
bij brede lagen van de bevolking en groeide er een revolutionaire opstandigheid.
Opgehitst door een calvinistische hagenpreker vond er in 1566 nabij Steenvoorde, vlakbij Hondschoote,
een plundering van een klooster plaats. Als de “beeldenstorm” zou dat in een deel van de Nederlanden
nagevolgd worden.
Met de opdracht om voor eens en altijd de Nederlanden onder centraal gezag te brengen en met de
rooms-katholieke kerk als enige kerk, stuurde Filips II vervolgens in 1567 vanuit Spanje Fernando
Alvarez de Toledo
(1507-1582), hertog van Alva, als nieuwe landvoogd naar de Nederlanden.
Wegens zijn tolerante houding inzake de reformatie, achtte prins Willem van Nassau, prins van Oranje, het raadzamer
om naar zijn stamslot Dillenburg in Duitsland uit te wijken, waarna zijn uitgebreide bezittingen in de
Nederlanden werden geconfisqueerd.
Uit de verschillende delen van de Nederlanden waren reeds eerder textielarbeiders naar elders vertrokken,
zoals oa. naar Canterburry, Colchester, Norwich en Sandwich in Engeland. Deze emigratie was niet in de
eerste plaats vanwege het geloof, maar wegens werkloosheid en gebrek aan voedsel. In de protestantse
streken waar zij zich vestigden, gingen deze emigranten wel tot de hervorming over en ontstonden de
verschillende vluchtelingenkerken<6>.
Na de komst van de hertog van Alva in 1567 vertrokken ook vluchtelingen om geloofsredenen daar heen.
Later zullen veel textielwerkers uit deze plaatsen naar Leiden overkomen, waaronder voorouders
vanuit Londen en vanuit Norwich.

Met de komst van de hertog Alva kwam een guerrilla-oorlog op gang tussen rondzwervende opstandigen en het Spaanse gezag.
Deze opstandigen opereerden als bosgeuzen in zuidwestelijk Vlaanderen en als watergeuzen in de kustgebieden van Holland,
Friesland en Groningen. Voor de superieure, Spaanse landtroepen van de hertog Alva was dit alles nog niet
echt problematisch en ook een door Prins Willem van Oranje op de been gebracht leger, mede ingegeven
om zijn bezittingen terug te krijgen, legde het in 1568 tegen hen af: het begin van de opstand tegen het
koninklijke gezag die bekend werd als de “Tachtigjarige Oorlog”.
Deze opstand kreeg meer structuur toen de watergeuzen in 1572 den Briel innamen en zij -in plaats van
zoals gebruikelijk die te plunderen- de magistraat dwongen om de kant van de opstandigen te kiezen.
Het merendeel van de steden in de kuststreken, die al of niet beangst waren vanwege hun mogelijke
bereikbaarheid door de watergeuzen, schaarden zich aan de kant van de opstandelingen, maar dan wel
onder het gezag van prins Willem van Oranje. De zuidelijke en meer land inwaarts gelegen gewesten Brabant,
Limburg, Henegouwen, Artois en Douai onttrokken zich niet aan het gezag van Brussel. In de gewesten die
overgegaan waren naar de Prins kregen de calvinisten de overhand en daardoor verkreeg de opstand
tegen het wettige gezag voor meer zelfstandigheid en vrijheid van geloof meer het karakter van een
godsdienstoorlog.

De hertog van Alva startte eind 1572 een grootscheepse militaire operatie om de afvallige gewesten weer
onder het koninklijke gezag terug te brengen. Beslissend daarin was de vergeefse belegering van 21
augustus tot 8 oktober 1573 van Alkmaar, waarna in december een belegering van Leiden werd opgezet.
Bij de nu op gang komende georganiseerde hulp van buitenaf onder leiding van prins Willem van Oranje,
werden de omliggende gebieden onder water gezet en kon admiraal Boisot met een vloot van schepen de
stad Leiden op 4 oktober 1574 ontzetten. Ondanks grote hongersnood werd door standvastig optreden van
burgemeester Pieter Adriaansz van der Werf en secretaris Jan van Hout de belegering doorstaan: “binaest
zes duizend mensen, 2/3 van de totale bevolking van honger omgekomen”.

De hertog van Alva had december 1573 reeds de Nederlanden verlaten en werd uiteindelijk in 1578 als
landvoogd opgevolgd door Alexander Farnese (1545-1592), hertog van Parma, zoon van de eerder
genoemde Margaretha van Parma. Handig speelde deze in op groeiende onvrede onder de edelen, waarvan
velen nog rooms-katholiek waren, en wist hij met het op 6 januari 1579 aangaan van de Unie van Atrecht de
meeste zuidelijke gewesten voor de Spaanse koning te behouden of te herwinnen. Twee weken later volgde
op 23 januari het antwoord van de overige gewesten -waaronder Vlaanderen en de steden Brugge, Gent en
Antwerpen- door het aangaan van de Unie van Utrecht, de feitelijke geboorte van de Republiek der Verenigde
Provinciën. In 1581 werd door dit bondgenootschap Filips II formeel als vorst afgezworen. Door de Staten
-Generaal -het overlegorgaan van de afvallige gewesten- werd nu uitgekeken naar een nieuw, invloedrijk
staatshoofd en meenden die in 1582 gevonden te hebben in François-Hercule de Valois (1556-1584), de
hertog van Anjou, een zoon van de Franse koning Henry II en Catharina de Médicis.

Dit was echter geen gelukkige greep, want de hertog vond dat hij een te ondergeschikte rol had en probeerde
met behulp van zijn moeder de zaken naar zijn hand te zetten. Met een troepenmacht van 13000 manschappen
trokken zijn bevelhebbers de 1e week van 1583 Vlaanderen binnen en, gepaard gaande met grote
plunderingen en vernielingen, werd een groot aantal kleinere plaatsen in bezit genomen.

Het Ontzet van Leiden 1574
Fragment carton strook C glas nr. 25, Sint Janskerk te Gouda
Onder: Het optrekken van de vloot over het ondergelopen land
Midden: De vluchtende Spaanse troepen
Boven: Silhouet van de belegerde stad Leiden
Isaac van Swanenburg: Carton van het gebrandschilderde glas (1603)
Fonds Goudse Glazen – www.sintjan.com/

—–

Plaatsen als Hondschoote en Nieuwkerke werden nagenoeg van de kaart geveegd. Te Hondschoote werden
900 textielateliers vernietigd en bleven er van de 4000 huizen nauwelijks 200 over.

Onder de persoonlijke leiding van de hertog van Anjou zou op 17 januari 1583 de stad Antwerpen worden
ingenomen, maar dat werd door de burgerij van de stad voorkomen, met een groot aantal slachtoffers aan
Franse zijde. En de hertog keerde terug naar Frankrijk, waar hij een jaar later overleed.
De hertog van Parma zag nu ook zijn kans schoon en bracht in de loop van 1583, op een paar grote steden
na, het gewest Vlaanderen weer onder het gezag van de Spaanse koning. De grote steden vielen in 1584 in
zijn handen en in 1585 uiteindelijk Antwerpen. Inmiddels had prins Willem van Oranje zijn verblijfplaats
Antwerpen verruild voor Delft en was met de val van Antwerpen een scheiding tussen de Noordelijke en de
Zuidelijke Nederlanden ontstaan, die in de loop der tijd definitief zou worden.
Onder leiding van landvoogd Alexander Farnese werd het herstel van het Spaanse regime in de Zuidelijke
Nederlanden niet doorgevoerd in de trant van het bewind onder de hertog van Alva. De landvoogd bepaalde
dat de landslieden die weer onder zijn gezag kwamen, twee jaar de tijd hadden om zich te beraden of zij de
roomse religie wilden aanhangen. Zo niet dan kregen anders-willenden de tijd om binnen deze periode het
land te verlaten, mits zij zich verder niet aanstootgevend gedroegen. Bovendien werd er bepaald dat niets hen
in de weg gelegd mocht worden, indien zij hun bezittingen te gelden wilden maken en met overig have en goed
vertrokken. Dit was voor veel Zuid-Nederlanders de aanleiding om hun geboortegrond te verlaten en uit te
kijken naar een andere plaats om daar een nieuw leven te beginnen. Er kwam een emigratiestroom op gang,
die zich ook richtte op Leiden

4. Leiden na 1574
4a. Immigratie
Na het beleg in 1574 en zijn naweeën woonden er in Leiden nog slechts zo’n 9.000 inwoners. Het
stadsbestuur, m.n. de stadssecretaris Jan van Hout, zette zich in voor een nieuwe start<7> en liet in 1577 aan
de gevluchte Vlaamse drapiers (textielproducenten) te Colcester in Engeland weten dat het stadsbestuur
geïnteresseerd was in hun vestiging te Leiden en tegen gunstige voorwaarden zoals gratis poorterschap. Een
aantal van hen ging daar op in, waarna er meer volgden uit andere Engelse plaatsen (Norwich, Sandwich,
Canterbury, Londen) en vervolgens ook uit Vlaamse en Brabantse steden. In 1581 telde Leiden alweer meer
dan 12.000 inwoners. Toen Hondschoote in 1583 was verwoest, vluchtten de meesten van zijn drapiers en
wevers ook naar Leiden. Ook daarover was onderhandeld, waarbij het stadsbestuur de restrictie stelde dat zij
tenminste 5 jaar poorter zouden blijven. Het poorterschap werd echter alleen aangevraagd door de wat
kapitaalkrachtiger ondernemers, die door de overeengekomen voorwaarden mogelijkheden zagen om nieuwe
ondernemingen op te starten. De overige vluchtelingen zochten alleen maar werk en vonden die overwegend
in de hernieuwde textielnijverheid. In de hierna volgende kwartierstaat is het alleen voorouder Jan Passavant
uit Hondschoote die “opten 23 marty 1583 …. om niet ende zonder eenich recht te betalen tot poorter [werd]
angenomen”.
Na deze eerste instroming kwam met de voltooiing van het Spaanse gezagsherstel over de zuidelijke
gewesten daar de grote uittocht op gang. Er volgden emigranten uit Ieper, Poperinge, Belle, Ronse en uit
andere plaatsen van de Vlaamse Westhoek. Zo ging ook de gehele textielnijverheid van Bondues (nabij
Lille/Rijsel) over naar Leiden en kwamen uit het vervallen Doornik eveneens textielproducenten over. Na de val
van Brussel, Mechelen en Antwerpen kwamen er weer nieuwe vluchtelingenstromen. En ondertussen ging ook
de instroom vanuit Engeland door.

Het merendeel van deze immigranten uit de Vlaamse textielstadjes bracht de kennis van allerlei moderne
productiemethoden en technieken mee. De saainering, de productie van goedkoop laken, bloeide nu in
Leiden.

4b. Religie en kerken – de Waalse gemeente<8> – Kerkelijke administratie
Vanaf 1572 was het calvinisme de overheersende religieuze stroming geworden en had zich geconsolideerd
in de door de overheid bevoorrechte Nederduits Gereformeerde Kerk. Te Leiden waren de Sint Pieterskerk,
de Hooglandse- of Sint Pancraskerk en de Lieve Vrouwekerk door de stedelijke overheid geconfisqueerd en
werden de Pieterskerk en de Hooglandsekerk aan de Gereformeerde Kerk toegewezen.
Het pand van de Sint Jacobskapel (de huidige Lodewijkskerk) was al voor 1567 in het bezit van de stad
gekomen en werd tijdens het beleg van Leiden als korenopslagplaats gebruikt. In 1593/’94 werd er een
torenbekroning opgeplaatst en als Saaihal in gebruik genomen. Bij de kruitramp in 1807 had het gebouw
aanzienlijke schade opgelopen. Op aandringen van koning Lodewijk Napoleon werd het pand niet gesloopt,
maar aan de rooms-katholieken overgedragen en na herstel als Lodewijkskerk in gebruik genomen.
In 1587 kregen de Frans sprekende vluchtelingen van de Nationale Synode te Dordrecht toestemming om in
de Republiek een eigen kerkelijke organisatie op te bouwen en in hun landstaal de diensten te houden<9>. Op
26 maart 1581 was in Leiden al voor het eerst in het Frans gepreekt in de oude academie<10>, in de kapel
van het Faliede-Bagijnhof, het toenmalige academiegebouw. Deze diensten waren vooral bedoeld voor de
niet-nederlandstalige studenten en professoren, maar werden ook bezocht door Frans sprekenden uit de stad.
Het jaar 1584 wordt officieel als oprichtingsjaar van de Waalse Gemeente van Leiden beschouwd toen een
grote groep Walen met hun predikant Jacques De La Drève naar Leiden emigreerde. Oorspronkelijk kwamen
zij uit de streken van Artois, Henegouwen, Luik en Namen. Het aantal Frans sprekende gemeenteleden
bedroeg daarmee 425 personen en werd er tot een eigen gemeente besloten. Zij kregen de Vrouwekerk als
hoofdkerk toegewezen, waar op 9 september 1584 de eerste dienst werd gehouden.
Het aantal leden van de Waalse Gemeente nam snel toe en werd de kerk al spoedig te klein en moest worden
aangepast. De nodige verbouwing vond plaats in 1627, waarbij het koor bij de preekgedeelte werd getrokken.
In het begin van de zeventiende eeuw mocht de Waalse Gemeente ook gebruik maken van de kapel in het
Catharinagasthuis. Ook deze kapel werd al spoedig te klein, zodat in 1635 de kerkzaal werd vergroot door
naast de kerkzaal een tweede beuk te bouwen, die even groot was als de bestaande ruimte.
Omstreeks 1700 bedroeg het ledental 5000 personen, maar mede door de integratie met de Leidse
bevolking was aan het einde van de 18e eeuw het ledental tot 600 gedaald. Na het vertrek van Waalse
gemeenteleden naar de Verenigde Staten raakte de Vrouwekerk langzamerhand verval. Nadat een verzoek
tot restauratie van de Vrouwenkerk door het gemeentebestuur was afgewezen, kreeg de Waalse gemeente in
1819 definitief de Gasthuiskerk als eigen kerk toegewezen, waar de gemeente nog steeds is gevestigd. De
Vrouwekerk was inmiddels te bouwvallig geworden om er nog diensten te kunnen houden en werd tussen
1818 en 1840 grotendeels gesloopt.

Als gevolg van de toename van de bevolking werd ten noorden van stad in 1610 een nieuw stadsdeel
aangelegd. Het stadsbestuur besloot in 1638 om in die buurt een kerk voor de gereformeerde eredienst te
bouwen en in 1649 kwam de Marekerk gereed. Het is een typisch voorbeeld van protestantse kerkbouw en
het eerste kerkgebouw in het gewest Holland dat speciaal voor de protestantse dienst werd gebouwd. Na de
staduitleg in 1659 ten oosten van de stad werd daar in 1663 de Looodskerk in gebruik genomen, een houten
noodkerk aan de Oranjegracht die in 1829 werd gesloopt<11>.

De kerken vervulden een belangrijke rol in de bevolkingsadministratie. Geboorten werden vastgelegd in het
doopboek en voorgenomen huwelijken werden op het het stadhuis in een centraal ondertrouwregister
ingeschreven, in aanwezigheid van getuigen van het bruidspaar. Gedurende 3 achtereenvolgende diensten
werden vervolgens de ondertrouw in alle kerken te Leiden bekend gemaakt, waarna in het trouwregister van
een der kerken het huwelijk werd vastgelegd. Helaas is dat laatste niet bij alle huwelijken terug gevonden,
omdat deze trouwboeken niet aansloten op de in gebruikname van de kerken<12>, of het ontbreken van
boeken of folio’s over een bepaalde perioden.

4c. Textielnijverheid<13>
Oorspronkelijk was het hoofddoel van de Leidse textielnijverheid de vervaardiging van “laken”, waaruit kleding
werd gemaakt. Deze lakennijverheid werd “draperie” genoemd. Na de opkomst en productie van de lichte
wollen lakens, saaien genaamd werd deze tak van nijverheid als “lichte draperie” aangeduid. De opbloei van
de Leidse textielnijverheid na 1574 beperkte zich niet tot de saai-industrie, maar produceerde in haar hoogtij
een hoog aantal van 191 verschillende producten<14>.


De textielindustrie was georganiseerd in zeven “hoofdneringen”, ieder met een eigen hal waar de producten
van stadswege gekeurd moesten worden, voordat ze verhandeld mochten worden<15>:

Lakenhal – Oude Singel: de traditionele wollen stof
Baaihal – St. Pancras Achtergracht: een dikke, bijna vervilte variant ervan
Saaihal – Steenschuur: een dunnere, goedkopere stof, geweven volgens een techniek die de Vlamingen
hadden meegebracht
Rashal – : een duur weefsel waarin wol en zijde gecombineerd werden met kameelhaar of met uit Smyrna
afkomstige Angorawol
Fusteinhal – Haarlemmerstraat: een wollen stof waarin katoen was verwerkt
Warphal – : een weefsel van wol en linnen
Greinhal – Hooglandse Kerkgracht: een weefsel waarvoor schapenwol en geitenhaar werden gebruikt.

Na elke bewerking vond een keuring plaats of het product aan de door het stadsbestuur vastgestelde normen
voldeed. Daarvoor waren vele controleurs nodig. De beroemdste zijn ongetwijfeld de staalmeesters. Zij
vergeleken in het daglicht v¢¢r de hal van de nering de geverfde stoffen met de kleurstalen in het stalenboek.
Als een lap stof alle strenge controles was gepasseerd, dan werd aan de lap een loden zegel bevestigd. Dit
lakenlood met het stadswapen was het teken dat de stad de kwaliteit garandeerde. Deze zegels zijn tot ver in
het buitenland aangetroffen.

4d. De arbeidsverhoudingen en het productie proces
Het productie proces was in Leiden tot in detail uiteengerafeld in talloze deelbewerkingen met behulp van
specifieke materialen en specialistische technieken, uitgevoerd door ca. 96 verschillende beroepen<16>, die
vrijwel allemaal als huisnijverheid werden uitgevoerd, al gebeurde de eindafwerking van de producten na het
weven op den duur steeds meer in werkplaatsen. De meeste van hen waren vaklieden, die als kleine
zelfstandigen elk tussenproduct dat zij maakten, moesten verkopen aan hun opdrachtgevers, de drapiers. In
feite werkten zij als arbeiders op basis van stukloon, die in de neringen niets te vertellen hadden en zonder
werk zaten zodra de verkoop even stagneerde.
Daarnaast waren er nog 20-tal beroepen in de toeleverende hulpbedrijven zoals scharenmakers,
raammakers, (spinne)wielmakers en wieldraaiers<17> en waaraan ook het beroep van voorouder Gerrit Jans
Doe moet worden toegevoegd: de mandenmaker, die de voor het wassen, vervoeren en verven van de wol
onmisbare manden vervaardigden<18>. Strikt genomen behoort de handel in wol en stoffen niet tot het
productieproces, maar behelsde toch nog een 10-tal beroepen, waaronder de diverse kopers en verkopers
per nering, de zeemleren verkopers, schuitvoerders en hun knechten<19>.

De normale lakenbereiding kan in vier hoofdfasen worden onderscheiden:
4da1. Voorbereiden
De door de drapier gekochte wol -aangevoerd in balen samengepakt en eerder nog op de schapenhuiden-
werd eerst onderzocht en naar kwaliteit gesorteerd. De beste kwaliteiten werden gebruikt voor zuiver wollen
stoffen, terwijl de mindere kwaliteiten doorgaans werden gecombineerd met andere stoffen, zoals eerder per
nering is aangegeven.
Na de eerste sortering kregen de wolwassers de wol in handen om eerst het ergste vuil te verwijderen. Het
wassen gebeurde in de stadsgrachten en als de wol zich op de schapenvellen bevond, moest dat daarna er
nog afgehaald worden door de vachtenploters.
Na het wassen werd de betere kwaliteit wol doorgaans geverfd. Men noemde dit wolverven, omdat de
grondstof nog vrijwel niet was bewerkt. Na het weven tot een lap stof werd die opnieuw geverfd in de actuele
modekleuren Mindere kwaliteiten verfde men gewoonlijk pas later, nadat de stof was geweven en gevold. Dit
werd stukverven genoemd, naar het stuk stof dat reeds gereed was.

4d2. Kammen en Spinnen
Zodra de wol was gedroogd vond het kammen of kaarden ervan plaats. Aangezien de krulhaartjes dikwijls in
elkaar waren gedraaid tot klitten, werd de wol vaak eerst nog ingesmeerd met olie of vet (smouten), waarna
het kammen of kaarden een stuk gemakkelijker verliep.
De hoogste kwaliteit wol werd gekamd (vandaar de benaming kamgaren). Aanvankelijk werden de ijzeren
kammen bij de bewerking voortdurend verhit om de kortere haartjes zo goed en zo makkelijk mogelijk van de
gesmoute massa af te scheiden zonder ze te breken: alleen de lange vezels werden bij de productie van
eerste kwaliteit laken gebruikt. De mindere kwaliteiten werden gekaard met behulp van een soort borstel die
bestond uit een aantal staken met weerhaakjes daaraan. De gekaarde wol werd voornamelijk gebruikt voor de
fabricage van de gemengde stoffen.
Hierna volgde het spinnen van de wol. Langvezelige wol werd gebruikt om de kettingdraden te spinnen. Ter
versteviging werd de gesponnen draad met een of meerdere andere draden samen gevlochten (twijnen),
waarna het garen via haspels op klossen werd gewonden. Van de kortvezelige wol werden de inslagdraden
gesponnen die daarna op dezelfde wijze op spoelen werd gewonden.

4d3. Weven en eerste bewerkingen
De wevers maakten in het huisindustriële productiesysteem gebruik van getouwen die bijna de hele
benedenverdieping van hun huisjes in beslag namen. Afhankelijk van de breedte van de te weven lap werd het
nodige aantal kettingdraden om de kettingboom gewikkeld, die vervolgens achter in het getouw werd
geplaatst. Via een met pedalen te bedienen hevelsysteem werden de kettingdraden naar voren, naar de
werkplek van de wever geleid en aan een ronde balk bevestigd. Via de hevels werden de kettingdraden om
en om (of volgens een ander vast patroon) opgetild of naar beneden getrokken, waarna de spoel met
inslaggaren tussen de kettingdraden door naar de andere kant werd geslagen. Het op deze manier weven van
een laken duurde ongeveer 3 weken<20>. Bij het weven van de brede stoffen werden weefgetouwen gebruikt
die door twee man bediend moesten worden. Voorouder Andries Passavant was eigenaar van twee van deze
dubbele getouwen, die gebruikt werden in de saainering.
Na het weven van de lap werd allereerst de oneffenheden verwijderd die het gevolg waren van de knoopjes
die de wever had aangebracht om gebroken draden te herstellen. Dat gebeurde doorgaans door vrouwelijke
arbeidsters, de nopsters of wiedsters, die zich daarbij bedienden van scherpe ijzers of messen. De niet uit
kamgaren gesponnen de stukken werden door de drapier naar de vollerij gebracht, om die daar te laten
vervilten. Stukken gesponnen van kamgaren (zoals laken) kunnen niet worden vervilt door het ontbreken van
korte en kroezige vezels.
Door het vollen ontstond er één egale, hechte stof en waren de kettingdraden (schering) en inslagdraden
vrijwel onzichtbaar geworden. Om het gewenste resultaat te verkrijgen gebruikte men vanouds voor het vollen
bijtende stoffen zoals vollersaarde, urine en boter aangelengd met water. Tot het eind van de zestiende eeuw
werd het vollen door arbeiders verricht, die daartoe naakt in de kolossale houten volkuipen plaatsnamen en de
stof met hun voeten betrapten. In de loop van de 17e eeuw werden hiervoor volmolens ingezet.
De gevolde stof was er in deze bewerkingsfase niet schoner op geworden en was ook behoorlijk gekrompen.
De stoffen werden in de grachten uitgespoeld en buiten de stad op ramen gespannen om te drogen en om op
formaat te worden teruggebracht.

4d4. Afwerken (appreteren)
De drapier verkocht de ongeverfde stukken aan de lakenkoopman, waarmee zijn bemoeiing met de productie
was beëindigd. De lakenkooplieden zorgde voor de verdere afwerkingen, die meer en meer plaatsvonden in
grote werkplaatsen. Deze kooplieden wisten door hun handelsrelaties voornamelijk in Amsterdam wat de
heersende en mondiale mode tendensen waren en konden door hun financiële draagkracht daar soepel op
inspelen en lieten de stoffen in alle gevraagde kleuren door eigen arbeiders verven. De kleuren van de stoffen
waren wegens het modieuze aspect ervan van groot belang voor de waarde van het eindproduct. Doorgaans
waren de ververs daardoor redelijk tot goed betaalde textielarbeiders, die in de late Middeleeuwen al waren
gespecialiseerde als rood- en blauwververs en meesters waren in vooral het gebruik van plantaardige
kleurstoffen.
De geverfde stoffen, maar ook de ongeverfde, gingen naar de conroyer. “Conroyen”‘ wil zeggen het koken en
daarna opspannen van de weefsels op de ramen om ze te laten krimpen en daarmee strak te krijgen.
Vervolgens werd de stof geruwd. Door het ruwen werd het door het vollen glad geworden, vervilte oppervlak
van het stuk wederom ruw gemaakt. Daarbij werkte men aanvankelijk met de hand en waarvoor distels werden
gebruikt. Daarop volgde het droogscheren van de stof, waarbij de na het ruwen uitstekende haartjes werden
afgeschoren met een groot zwaar mes en alle pluizen, haartjes en andere ongerechtigheden werden
verwijderd tot de lap spiegelglad was. Dit ruwen en droogscheren was niet voor elke stof gebruikelijk, maar
voor de betere kwaliteiten gebeurde dat meerdere malen. Ten slotte werd de stof nog gestreken en geperst of
-zoals bij grein, fustein, warp of ras- geklanderd. Bij het klanderen werd de stof door een apparaat met
verwarmde rollen glad gemangeld.

De drapiers deelden aanvankelijk letterlijk en figuurlijk de lakens uit. Elke drapier had honderden
textielwerkers die voor hem werkten. Hij kocht de ruwe wol en bracht die achtereenvolgens naar de wassers,
spinners, wevers en vollers en verkocht vervolgens de ongeverfde stukken aan de lakenkoopman. Deze
kooplieden gingen zich ook steeds nadrukkelijker met de productie bemoeien. Zij hadden ook genoeg geld
om tijden van tegenslag te doorstaan. Stagneerde de afzet dan kochten zij de stoffen van de drapiers op en
hielden die vervolgens in voorraad. Omstreeks 1630 plaatsten zij zich zelf aan het begin van het
productieproces en gingen zij ook de ruwe wol leveren aan de drapiers, waardoor die geheel afhankelijk
werden van de lakenreders.

Ook de voorouders van Johanna Maria Willemse en hun (aangetrouwde) verwanten vonden voornamenlijk
hun beroepen in de textielnijverheid en in de ondersteunende hulpbedrijven. In haar kwartierstaat komen de
volgende beroepen in de textielbewerking voor die in onze tijd bepaald niet altijd herkenbaar zijn (aantallen bij
benadering):

baaiwerker 1x

lakenwerker 2x

boratwerker 1x

mutsenbreier 1x

conrooiknecht 1x

rokjesnaaier 1x

drapier 7x, waarvan

saaiwerker 6x

baaidrapier 1x

schrobbelaar 1x

saaidrapier 1x

trijpwerker 1x

droogscheerder 1x

twijnder 1x

flaker/vlaker 1x

verversknecht 2x

fusteinwerker 3x

wever 13x, waarvan

greinwerker 13x

baaiwever 2x

kaarder 1x

dekenwever 1x

koordwerker 1x

lakenwever 4x

kousenverver en -verkoper 1x

linnenwever 1x

lakenbereider

saaiwever1x

(een met drapier gecombineerd beroep) 4x

wolkammer 1x

En in de ondersteunende beroepen: 

kaerdesetter 1x raammaker 1x

kleermaker 5x schipper 1x

koopman Amsterdam 1x wieldraaier 1x

mandenmaker 1x wielmaker 1x

4e. Leiden, uitbreidingen en stadsindelingen
Na de beëindiging van het beleg door de Spanjaarden in 1574 onderging Leiden een explosieve en
aanvankelijk ongestructureerde groei. Als gevolg van het binnenhalen van de textielwerkers groeide het aantal
inwoners van Leiden van ca. 12.000 in 1581 tot ca.70.000 in de jaren 1660-1670. Op het hoogtepunt van de
bloei omstreeks 1664 telde Leiden ruim 35.000 textielarbeiders en met haar 3500 weefgetouwen was Leiden
het grootste industriecentrum van Europa<21>.
Tot viermaal toe werd de stad in de zeventiende eeuw uitgebreid, waarmee de Leidse binnenstad in grote
trekken haar huidige omvang kreeg. De omvangrijkste uitbreidingen vonden plaats in 1610 ten noorden van
de oude stad, waarin centraal de Langegracht, en in 1659 ten oosten, waarin centraal de Oranjegracht en de
Waardgracht. Een tweetal kleinere uitbreidingen hadden plaatsgevonden in 1602 en in 1644.

Evenals andere steden kende Leiden al in de 14e eeuw een door het stadsbestuur gemaakte verdeling van
de stad in hoofdmanschappen. Deze stadskwartieren werden “bonnen” genoemd; een benaming die
specifiek Leids was. In 1394 werden ieder van de toenmalige vijftien bonnen geleid door twee hoofdmannen
of homans, in de loop der tijd bonmeesters genoemd. Tijdens de belegering van Leiden in 1574 waren er
zeventien stadswijken en aan het einde van de 16e eeuw, toen de bevolking sterk groeide, telde Leiden
twintig stadskwartieren. Na de laatste stadsvergroting in 1659 werden het er zevenentwintig. De taak van de
bonmeesters was in de eerste plaats bij brand de bluswerkzaamheden te organiseren.
Daarvoor hadden twee daartoe benoemde mannen het nodige gereedschap onder hun beheer, zoals leren
brandemmers, ladders en haken<22>. Op 17-4-1629 wordt koopman Pieter Passavant zoon van Jan
Passavant (kwnr. 148), genoemd als beheerder van brandblusmiddelen in het bon Vleeshuis<23>. Verder
moesten de bonmeesters toezicht houden op de toestand van de bestratingen en de (houten) walkanten.
Tijdens de winterperioden viel daar ook onder het ijsvrij houden van de vestgrachten en de bijten in de overige
grachten.
Maar vooral in administratief opzicht waren de bonnen een begrip. Zo werd de belasting op onroerend goed al
in de 15e eeuw per bon ingevorderd en vastgelegd in de Impositieregisters. De latere Oud Belastingboeken
en de daar op volgende serie van de Bonboeken bevatten de namen van alle huiseigenaars, de koopprijs van
het onroerend goed en een vermelding van de custing (hypotheek) die daar op werd afges1oten<24>. Een
aantal van hen komen we tegen in de kwartierstaat van Johanna Maria Willemse.
De bonnen zijn ontstaan uit een door het stadsbestuur vastgestelde wijkindeling, terwijl de plichten van de
bonmeesters en inwoners al vroeg varen omschreven. Er bestond echter ook een indeling van de stad in
gebuurten, die echter van een geheel andere orde was omdat die op initiatief van de eigenaren-bewoners tot
stand was gekomen. De grootte van een gebuurte varieerde van 10 tot 100 huizen, kon zelfs de grezen van de
bon overschrijden en omvatte meer een sociaal, maatschappelijke functie. Zij werden geleid door een
gekozen buurtbewoner<25>. In de aanwezige overzichten van deze gebuurten blijken zich geen personen uit
de kwartierstaat te bevinden.

4f. Huisvesting, leefomstandigheden en pestepidemieën
De meeste textielarbeiders woonden in de 17 eeuwse stadsuitbreidingen. De stadselite woonde in de oudste
kern tussen de Breestraat en het Rapenburg. De maatschappelijke positie van de drapiers en reders die de
textielproductie organiseerden, was in de zeventiende en achttiende eeuw echter betrekkelijk bescheiden en
woonden niet in dit deel van de stad. Hun huizen stonden voornamelijk aan de wat ruimere grachten aan de
rand van de nieuwe uitbreidingen zoals de Oude Singel en de Herengracht en een straat als de
Hogewoerd<26>.



Van de voorouders van Johanna Maria Willemse en hun verwante gezinsleden zijn ca. 70 adresvermeldingen
bekend in de uitbreiding van 1610, waarvoor in die periode ook de benaming Nieuwe Stad werd gebruikt.
Hiervan zijn 24 vermeldingen met als woonadres de Langegracht. Bedacht moet worden dat er op 1 mei van
elk jaar een massale verhuizing plaatsvond. De huurcontracten werden jaarlijks op 1 mei opnieuw afgesloten
en was aanleiding om naar een nieuw onderkomen te verkassen.
Voor hun bewoning moet daarbij gedacht worden aan een soort standaard huis van inpandig ca. 4,20 m.
breedte en ca. 7.50 m. diepte, die in grote aantallen werden gebouwd en als Wevershuisjes bekend staan.
De voorkamer met een diepte van nog geen 3,00 m. diende als werkruimte waarin het weefgetouw zijn plaats
vond. Voor de minder ruimte vragende textiel bewerkingen werden er zelfs smallere huizen gebouwd. In de
achterkamer ter diepte van nog geen 3,50 m. werd gewoond en gekookt, waarvan ook nog een “plaatsje” van
1,45 bij 2,40 m. was afgescheiden waarop een toiletvoorziening van ca. 0,95 bij 1,20 m.

De voorkamer met een diepte van nog geen 3,00 m. diende als werkruimte waarin het weefgetouw zijn plaats
vond. Voor de minder ruimte vragende textiel bewerkingen werden er zelfs smallere huizen gebouwd. In de
achterkamer ter diepte van nog geen 3,50 m. werd gewoond en gekookt, waarvan ook nog een “plaatsje” van
1,45 bij 2,40 m. was afgescheiden waarop een toiletvoorziening van ca. 0,95 bij 1,20 m. Tussen de voor en de
achterkamer was een dwarstrap naar de zolder, waaronder voor de hoofdbewoners een bedstee ter lengte
van ca. 1,80 m. bij een breedte van 1,00 m. Op de zolder onder de dakpannen moesten de overige
huisgenoten slapen<27>.

De textielwerkers, de meerderheid van de bevolking, ondervonden echter een hoge mate van uitbuiting en zij
woonden dicht op elkaar in volgepropte huizen met veel te hoge huren. De grote vraag naar woningen had in
Leiden tussen 1580 en 1610 de huren doen stijgen tot het drievoudige en als gevolg daarvan verslechtering
van de woonomstandigheden door de speculatieve bouw van kleine huurwoningen, soms ook nog rug aan rug,
die dicht op elkaar stonden. En regelmatig heerste er toch ook nog werkloosheid met de daaruit weer
voortvloeiende honger en ellende. Arbeid van kinderen vanaf zes, zeven jaar kwam veel voor<28>. De
gemiddelde levensduur was naar schatting 25 jaar als gevolg van een extreem hoge kindersterfte.

De stad vervuilde enorm door de vele neringen die op straat en aan de grachtenkanten werden uitgeoefend,
zoals het verven en vollen van lakens en het ploten (ontharen) van schapenvellen. En hoe voller en vuiler de
stad werd, hoe sneller en heviger epidemie‰n om zich heen konden grijpen. Zo was 1599 voor Leiden een
rampzalig jaar, waarin de pest vele slachtoffers eiste. Kort daarop volgde een nog grotere pestepidemie, die
van 1602 tot 1604 aanhield. In die drie jaar overleden er bij elkaar minstens vijfduizend mensen meer dan
normaal, ongeveer een vijfde van de bevolking<29>

Kennis over de feitelijke oorzaken van de pest was in die dagen minimaal. De heersende medische theorie
was een mengelmoes van magische verklaringen en zinnige waarnemingen. De praktische adviezen
waarmee zij de epidemie te lijf gingen, waren zo gek nog niet: zorg voor frisse lucht, gezond eten en isoleer
ziekte gevallen. Op die principes waren ook de voorschriften in de stadskeuren in geval van pest gebaseerd.
Met name werd alles wat stonk als drager van ziektekiemen aangemerkt. Huizen van slachtoffers moest
worden gemerkt, kleding en beddengoed van de overledenen werden verbrand, straten moesten worden
geschrobd en loslopende honden en varkens gedood. Bederfelijke etenswaren, zoals fruit en vis, werden aan
strenge controle onderworpen en alle levensmiddelen werden besprenkeld met azijn om de gevaarlijke lucht te
verdrijven. De slechte doorstroming en vervuiling van vooral de kleinere grachten waren een oud probleem en
werden niet ten onrechte als boosdoeners gezien<30>. Zowel rijk als arm liep bij deze besmettelijke ziekte
risico, maar de kansen op een fatale afloop waren vele malen groter bij ondervoeding, het eten van bedorven
voedsel en slechte woonomstandigheden<31>.
In de jaren 1624-1625 kwam daar nog eens een zware pestepidemie overheen. Er stierven achtduizend
mensen: een zesde van de bevolking. 10 jaar later, in 1635, werd Leiden opnieuw door de pest getroffen.
Deze epidemie overtrof in omvang alle vorige. Ditmaal overleed bijna een derde van de bevolking (circa
vijftienduizend inwoners). De gevolgen van deze ramp, met name in de arme wijken, waren desastreus. De
massale sterfte liet duizenden wezen en weduwen met kleine kinderen volledig berooid achter.
De opengevallen arbeidsplaatsen werden snel opgevuld, deels door nieuwe immigranten, maar nu geleidelijk
aan ook uit Duitsland<32>. In de kwartierstaat worden genoemd Anneken Hermans uit Dülmen, die in 1659
huwde met Michiel Civiel (kwnr. 368/369-b) en Geertruid Jurriaans van den Broek uit Recklinghausen, die in
1660 huwde met Pieter van den Berg (kwnr. 164/165-b).

5. Toelichting op de kwartierstaat
Behoudens de registers van DTB-boeken, zijn er nauwelijks aanvullende documenten bekend van deze
arbeidende bevolking. In de ondertrouwboeken zijn echter systematisch de namen opgetekend van de
toekomstige echtelieden, hun beroepen, eventuele eerdere huwelijken en over het algemeen -bij eerste
huwelijken- de geboorteplaatsen. Verder de huwelijksgetuigen met hun relatie tot hen, meestal als familielid,
en van alle genoemde personen het woonadres. Vaak zijn dit de enige bekende gegevens waaruit de
kwartierstaat verder ontwikkeld kon worden. In een afzonderlijke opmerking bij de huwelijken heb ik daarom
deze getuigen en hun adressen opgenomen (Zie ook de Bijlage met het overzicht van oude en verdwenen
straatnamen). Bij enkele adressen van voorouders heb ik als illustratie een 5-tal foto’s van recente datum
toegevoegd, die naar mijn gevoelens de sfeer van deze oude straten goed weergeven. Met dank aan Karen
van Essen
te Leiden (www.fotoleiden.nl) voor de beschikbaarstelling daarvan.
De DTB-bronnen heb ik niet expliciet genoemd, evenmin als de gezindte bij doop en huwelijk indien die plaats
vonden in de Nederduits Gereformeerde Kerk.
Betreffende de naamgevingen nog het volgende:
Ik hanteer per familietak dezelfde familienaam, tenzij er in de tijd een typerende naamsverandering heeft
plaatsgevonden of uitsluitend patroniemen<33> werden gebruikt. Bij het in zwang komen van een familienaam
werd deze vaak afwisselend of samen met het patroniem gebruikt. Waar ik de familienaam voor het eerst heb
aangetroffen is bij de betreffende generatie de familienaam tussen haakjes “( )” vermeld. Voor de
familienamen heb ik zo goed als mogelijk aansluiting gezocht bij de huidige schrijfwijze van de namen.Als
schrijfwijze van de voornamen heb ik de per persoon meest voorkomende gebruikt, zo nodig iets aangepast.
In de opmerkingen gebruik ik de schrijfwijzen zoals die in de geciteerde of omschreven akten worden vermeld.
Voor de plaatsnamen heb ik de officiële schrijfwijze van het huidige taalgebied aangehouden, maar aangevuld
met de Vlaams-Nederlandse aanduiding voor wat betreft het Franse taalgebied en zoals die ook regelmatig
voorkomen bij de inschrijvingen in de ondertrouwregisters.

Verwijzingen naar kinderen vinden plaats door middel van hun kwartiernummer [=kwnr.], de verwijzing naar het
ouderlijk gezin door middel van de kwartiernummers van hun ouders met vermelding van de letteraanduiding
van het kind [=kwnr./kwnr.-a] of, bij kinderen uit een ander huwelijk van een der kwartierouders, het betreffende
kwartiernummer van de ouder met vermelding van het huwelijksnummer [=kwnr.-1a], de verwijzing naar het
ouderlijk gezin door middel van de kwartiernummers van hun ouders met vermelding van de letteraanduiding
van het kind [=kwnr./kwnr.-a] of, bij kinderen uit een ander huwelijk van een der kwartierouders, het betreffende
kwartiernummer van de ouder met vermelding van het huwelijksnummer [=kwnr.-1a].

Eerdere publicaties in relatie tot deze kwartierstaat:
In Ons Voorgeslacht jrg. 1973, blz. 45 ev. publiceerde ir. H.J. Werner te Haarlem zijn kwartierstaat, waarin
onder kwnrs. 148 en 149 Jacobus Civiel en Grietge Martijn [=kwnrs. 14/15] als zijn voorouders worden
genoemd. Met “kwst. Werner” wordt naar deze publicatie verwezen.
M.J. Doorenbos publiceerde in 1986 in eigen uitgave de kwartierstaat Van de Polder-de Cordua<34>. Onder
kwnrs. 236+237 worden daarin Jan Passavant en Maayke Passavant [=kwnrs. 148/149] als voorouders
genoemd. Met “kwst. Polder” wordt naar deze publicatie verwezen.
In de publicatie Onze Voorouders deel I -in 1989 uitgegeven door de afd. Rijnland van de NGV- is opgenomen
de kwartierstaat Van Egmond-Labree (blz. 51 ev.), samengesteld door J. van Egmond. Hierin worden onder
kwnrs. 1518+1519 Hendrik Willemse en Maria du Saer [kwnr. 16/17] als zijn voorouders genoemd. Met
“kwst. Egmond” wordt naar deze publicatie verwezen.
In de publicatie Onze Voorouders deel IV -in 2001 uitgegeven- is opgenomen de kwartierstaat Selier-Plug
(blz. 209 ev.), door J. Selier samengesteld. Hierin worden onder kwnrs. 638+639 eveneens Hendrik Willemse
en Maria du Saer als zijn voorouders genoemd. Met “kwst. Selier” wordt naar deze publicatie verwezen.
De eigen onderzoeksbevindingen zijn met deze publicaties vergeleken en kon als aanknoping voor verificatie
dienen.
Verder rest mij de redactie van Ons Voorgeslacht te bedanken voor hun aanwijzingen, waardoor de
kwartierstaat van Johanna Maria Willmse aan kwaliteit heeft kunnen winnen.Voorts gaat mijn dank uit naar de
bij de illustraties genoemde persoon/instelling voor de belangeloze beschikbaarstelling daarvan.

6. BIJLAGE
Overzicht oude en verdwenen straatnamen in de kwartierstaat van Johanna Maria Willemse.

Bronnen (aanwezig in het regionaal Archief te Leiden):

ir. G.L. Driessen:Leidse Straatnamen – 1929

Supplement Leidsche Straatnamen – 1939

Verdwenen Leidse Straatnamen – 1951

S. Groenveld ea.:Historische plattegronden van Nederlandse Steden

deel 7 Leiden – 1997. Kaart 17, bladen la en lb

Onbekende opsteller: Vroegere benaming = Vroegere ligging of tegenwoordige benaming – 2005

Concordantie vroegere straatnamen = huidige straatnamen:

Achtergracht = Dolhuissteeg

Korte Pieterskerk = Pieterskerkchoorsteeg

Berkelstraat = Berkendaalstraatje

Korte Oudevest = Galgewater

Broertjesgracht = Kaiserstraat

Looiersgracht = Binnenvestgracht achter Looierstraat

Cellebroedersgraft = Kaiserstraat

Looierstraat = Zijlstraat

Cledersteeg = Vleerensteeg?

Maredorp = Haarlemmerstraat eo.

Delftsche Vliet = Conscientiestraat

Marendorpsche Achtergraft = van der Werfstraat

Doelachtergracht = 5e Binnenvestgracht

Mierennest = Mierennesthofje

Doelewater = Doelegracht?

Nieuwe Rijn in 't Catharine Gasthuijs =Aalmarkt

Doelstraat = Doelensteeg?

Nieuwe Stad = Maredorp

Dwarsheerensteeg = Salomonsteeg/Scheepsmakersteeg

Nouwesteeg = Choorlammersteeg

't Eyland = Conscientieplein

Oost Singel = Binnenoostsingel

Falide Bagijnhof = Rapenburg

Oude Maren = Lange Mare

Galgstraat = Morsstraat

Oude Voldersgracht = Volmolengracht

IJzerengracht = Nieuwe Beestenmarkt

Plein van 's Gravenstein = Gerecht

Kalverstraat = Geregracht

Singelstraat = Weverstraat

Kamp/Vrouwenkamp = Caeciliastraat

Sint Orselensteech = Sint Ursulasteeg

Kerkgracht = Pieterskerkgracht

Speksteeg = Schoolsteeg

Kijfhoek = Hoefstraat

Vest = Vestwal (verm.)

Kleistraat = Morsstraat

Westdwarsgracht = Nieuwe Beestenmarkt

Koepoortsgraft = Doezastraat

Westdwarsgracht = Nieuwe Beestenmarkt

Korte Langegracht = Lammermarkt

Zijdgracht = Korevaarstraat

Korte Meutjessteeg = Kolfmakerstee

Zonneveldsteeg = Zonneveldstraat

Niet getraceerde locaties:

Cromme elleboogsteeg

Veer

Jongegraft

bij de 4 Harten

Oostwestgracht = Oostdwarsgracht?

bij de Wittepoort

Oude Beestemmarkt = Beestenmarkt?

buijten de Rhijnsburgerpoort in het Minnehuis

Oude Haven = Havenkade?

op de Zijl

Stroosteeg

Niet meer bestaande straatnamen:
Blauwsteeg: Vroegere steeg van Cellebroersgracht (Kaiserstraat) naar St.Pieters Achtergracht en Vestwal in
het verlengde verlengde van Bakkersteeg.
Boissteeg: Verm. Boy- of Boysenstraat, een vroeger dwarsstraatje benoorden Kolfmakerssteeg.
Ickersteegje: Vroegere benaming voor nauwe stegen als Lombardsteeg, Schapensteeg ea..
Groenendaal: Vroeger steegje van Sint Pieters Achtergracht naar Vestwal, tussen voormalig Sionsstraatje en
Doelensteeg.
Peperstraat/-steegje: Vroeger steegje van Serpentstraatje naar Rapenburg.
Veldenstraat (of Vellensteeg): Vroegere straat van Garenmarkt naar Oude St.Jacobsgracht in het verlengde
van vroegere Swietenstraat, thans deel van v.d. Werffpark.
Vleerensteeg (Cledersteeg?): Vroeger steegje van Hooigracht naar Middelstegracht benoorden Groenesteeg
(afgesloten in 1867).
Vogelstraatje/Werkstraatje: Vroeger straatje benoorden Langegracht tussen vroeger Prinsenstraatje en
Korte- of Achterzandstraat.
Zwijnshoorn(steeg: Vroeger steegje tussen Groenhazengracht nrs. 19 en 21

7. LITERATUUR:
(In de eindnoten zijn naar deze uitgaven verwezen door vermelding van naam en sumiere titel)
Els de Baan: Goed Garen, Uitgeverij Goossens, De Lakenhal Leiden – ongedateerd.
J.C.H. Blom en E. Lamberts, cs, Geschiedenis der Nederlanden, Uitgeverij Agon, Amsterdam 1993.
H. Bots, G.H.M. Posthumus Meyes en F. Wieringa: Vlucht naar de Vrijheid, de Hugenoten en de Nederlanden.
Uitgever: De Bataafse Leeuw – 1985.< Dr. J. Briels: De Zuid-Nederlandse Immigratie 1572- 1630.
C. Bunnik, P. van der Heijen, W. van Kranendonk en A. Visser: Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders,
Uitgever: Elsevier – Amsterdam/Brussel – 1972.
J. Decavele: De dageraad van de reformatie in Vlaanderen, Uitgever: Paleis de Academiën – Brussel – 1975,
2 delen
John Desreumaux: Leidens Weg Op, de grote emigratie uit de zuidelijke Nederlanden. Uitg.: Familia et Patria
Roeselare – 1992
P. Gerritsen: De Waalse Kerk van Leiden, de geschiedenis van gebouw, gemeente en orgel. Uitg.: Eburon
Delft – 1989.
Dr. H.P. Jansen, Middeleeuwse geschiedenis der Nederlanden, uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen
5e druk 1977.
Dr. H.P. Jansen, Lexicon, Geschiedenis der Lage Landen, uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 6e druk
1983.
J.K.S. Maes en B.M.A. de Vries:Redactie Stof uit het LeidseVerleden. Uitg.: Matrijs & Dirck van Eckstichting
Utrecht – 1991
Prof. dr. A.F. Manning en prof. dr. M. de Vroede, cs, Onze lage landen, uitgeverij M & P Boeken bv. Weert
1982.
Mr. N.W. Posthumus: Bronnen tot de Geschiedenis van de Leidschee textielnijverheid. – Vijfdelige uitgave in
de serie Rijks Geschiedkundige Publicatiën. Uitg.: Martinus Nijhoff s-Gravenhage – 1912/1922
Dr. N.W. Posthumus: De Geschiedenis van de Leidse lakenindustrie – Deel II – De nieuwe tijd (zestiende tot
achttiende eeuw), bestaande uit 2 boeken, blz. 1 t/m 500 en 501 t/m 1227. Uitg.: Martinus Nijhoff s
-Gravenhage – 1939.
Mr. A.A.J. Rijksen: Gespiegeld in kerkeglas. Uitgeversmaatschappij De Tijdstroom, Leiden – 1945.
Maurits van Rooien c.s.: Steden & hun verleden. Uitgave Teleac, Utrecht – 1988.
A.A. van Schelven: De Nederduitsche vluchtelingenkerken der XVIe eeuw in Engeland en Duitschland in hunne
beteekenis voor de reformatie in de Nederlanden, ‘s-Gravenhage – 1909.
Kees van der Wiel: Leidse Wevershuisjes. Uitgever: Primavera Pers Leiden – 2e druk 2003.
Kees Walle: Buurthouden, de geschiedenis van de burengebruiken en buurtorganisatie in Leiden (14e-19e
eeuw), blz. 17. Uitgeverij: Ginko Leiden 2005.
N. van der Zijpp: Geschiedenis der doopsgezinden in Nederland. Uitgever: Van Loghum Slaterus – Arnhem
– 1953.

TOP


8. NOTEN:
(Terug door aanklikken op nootnummering)
1. Ons Voorgeslacht, jrg. 59 (2004), blz. 65 ev. en blz.97 ev.: Vic. Poolen, Kwartierstaat van Anna Koster, geb.
Rotterdam 18 augustus 1844 – overl. Amsterdam 25 januari 1911.
2. Ons Voorgeslacht, jrg. 62 (2008), blz. 208 ev.: Vic. Poolen, Leidse voorouders uit de zuidelijke
Nederlanden, Kwartierstaat van Johanna Maria Willemse (1775-1853).
3. Informatie voor dit hoofdstuk ontleend aan:
– Blom en Lamberts, cs, Geschiedenis der Nederlanden, blz. 138.
– H.P. Jansen, Middeleeuwse geschiedenis der Nederlanden, blz. 259, 365 en 368.
– H.P. Jansen, Lexicon, Geschiedenis der Lage Landen,blz. 57 en 65.
– Manning en de Vroede, cs, Onze lage landen, blz. 83.
4. N. van der Zijpp onderscheidt in de Geschiedenis der doopsgezinden een drietal hoofdbezwaren: sociaal,
ethisch en godsdienstig (blz. 27)
J. Decavele behandelt in Hoofdstuk I van De dageraad van de reformatie in Vlaanderen het optreden van de
bedelorden en het ontwrichtende karakter daarvan op de zorg voor de echte armen (blz. 117 ev.).
In deze verhandeling zijn de gevoelde bezwaren in twee hoofdpunten samengevat.
5. H.P. Jansen, Lexicon, Geschiedenis der Lage Landen, blz. 75.
6. A.A. van Schelven, De Nederduitsche vluchtelingenkerken.
7. Zie het Armenrapport met talrijke suggesties voor ‘wederopbouw’, dat de secretaris Jan van Hout wordt
toegeschreven (Koppenol 1995).
8. Gerritsen, De Waalse Kerk van Leiden.
9. Bots, Posthumus Meyes en Wieringa, Vlucht naar de Vrijheid, blz. 43 t/m 46.br> 10. RAL, Stadsarchief
Leiden 1575-1816, inv.nr. 15 -Aflezingenboek 1574-1649, Deel E, fol. 118.
11. http://www.hollebeek.nl/leiden/ldnkerk.html
12. Bewaard zijn gebleven de trouwboeken van de Pieterskerk vanaf 6-4-1585, Hooglandsekerk vanaf
29-4-1597, Vrouwekerk (Franstalig) vanaf 19-9-1606, Gasthuiskerk vanaf 2-10-1638, Marekerk vanaf
3-12-1658 en Loodskerk vanaf 24-4-1728. Het centraal ondertrouwregister omvat de perioden 1592-1795
en 1795-1811.
13. Informatie voor dit hoofdstuk ontleend aan:
-Els de Baan, Goed Garen
-Maes en de Vries, Stof uit het Leidse Verleden, bijdrage Boudien de Vries: De Leidse textielnijverheid in de
zeventiende en achttiende eeuw, blz. 77-89..
-Maurits van Rooien c.s.: Steden & hun verleden, blz. 164 t/m 176.
-Kees van der Wiel, Leidse Wevershuisjes, hfdst. 2 – Een stad vol krotteties en kijfagtige poortjens
(1574-1670), blz. 25-31.
14. Posthumus, Geschiedenis, deel II – blz. 317-330, tabel 46: Overzicht van de te Leiden vervaardigde stoffen
in de periode van 1575-1795. De daar aangegeven aantallen stoffen per nering, incl de vrije nering, zijn
gesommeerd.
15. Kees van der Wiel, Leidse Wevershuisjes, blz. 27. Els de Baan, Goed Garen, blz. 26 (de afbeelding bij
deze tekst).
16. Posthumus, Geschiedenis, deel II – blz. 78-83, tabel 17: Nieuw ingekomen poorters te Leiden 1575-1616,
ingedeeld naar beroepen. De daar aangegeven beroepen in hoofdtak VIII – Textielindustrie zijn gesommeerd.
17. Posthumus, Geschiedenis, deel II – blz. 744, tabel 78: Nieuw ingekomen poorters werkzaam in de
hulpbedrijven, 1575-1795.
18. Posthumus, Geschiedenis, deel II – blz. 747.
19. Posthumus, Geschiedenis, deel II – blz. 78-83, tabel 17: Nieuw ingekomen poorters te Leiden 1575-1616,
ingedeeld naar beroepen. Hoofdtak XII -Handel en Verkeer.
20. Kees van der Wiel, Leidse wevershuisjes, blz. 29.
21. Kees van der Wiel, Leidse Wevershuisjes, blz. 13 en 25. (>Posthumus, Geschiedenis, deel III –
blz. 936-938).
22. Kees Walle, Buurthouden, de geschiedenis van de burengebruiken en buurtorganisatie in Leiden
(14e-19e eeuw), blz. 15.
23. Uit het Aflezingenboek van Leiden (1574-1649): (Deel I, fol 5)
24. Kees Walle, Buurthouden, de geschiedenis van de burengebruiken en buurtorganisatie in Leiden
(14e-19e eeuw), blz. 17.
25. Kees Walle, Buurthouden, de geschiedenis van de burengebruiken en buurtorganisatie in Leiden
(14e-19e eeuw), blz. 18/19.
26. Kees van der Wiel, Leidse wevershuisjes, blz. 15.
27. Kees van der Wiel, Leidse wevershuisjes, blz. 51; blz. 42 (de afbeelding bij deze tekst): Dienst Gemeentewerken Leiden
28. Bunnik, van der Heijen, van Kranendonk en Visser: Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders,
blz.111.
29. Posthumus, Geschiedenis deel II, blz. 157-167.
30. Kees van der Wiel, Leidse wevershuisjes, blz. 38 en 39.
31. Kees van der Wiel, Leidse wevershuisjes, blz. 44.
32. Kees van der Wiel, Leidse wevershuisjes, blz. 46.
33. In het Algemeen Woordenboek der Nederlandse taal -de Van Dale- wordt patroniem/-en vermeld, naast
het oorspronkelijke Latijnse woord patronymicum/-ca.
34. Aanwezig in het CBG, Den Haag.